Stuipen bij jonge kinderen met koorts: onschuldig of niet?

Stuipen bij en jong kind met koorts veroorzaken bij de ouders meestal een enorme schrik. Ook leiden deze aanvallen tot nogal wat discussie onder kinderartsen over de noodzaak van een ruggeprik en ander laboratoriumonderzoek, en over het voorschrijven van medicijnen om herhaalde aanvallen te voorkomen. In zijn proefschrift 'Seizures associated with fever in childhood: contributions to a rational management' - waarop hij op woensdag 29 november promoveert aan de Erasmus Universiteit Rotterdam - concludeert kinderarts Martin Offringa dat een gedetailleerde anamnese en een nauwkeurig lichamelijk onderzoek de beste leidraad geven voor een rationeel medisch beleid.

Een stuip of convulsie is een plotseling optredende stoornis in de elektrische functie van de hersenen, welke bewusteloosheid en meestal spiertrekkingen veroorzaakt. Bij kinderen tussen zes maanden en vijf jaar kan bij elke met koorts gepaard gaande ziekte een dergelijke aanval optreden. Uit Offringa's onderzoek blijkt dat 4 procent van alle Nederlandse kinderen tenminste een keer een stuip bij koorts doormaakt. In zeldzame gevallen is er sprake van een hersenvliesontsteking. Hoe vaak deze ernstige ziekte precies voorkomt is echter tot op heden niet bekend.

Ondanks het relatief voorkomen van stuipen bij koorts, is het niet altijd duidelijk welk beleid met betrekking tot diagnostisch onderzoek en medicamenteuze behandeling optimaal is. Het probleem voor de behandelend arts is: wanneer is een stuip onschuldig, en wanneer niet? Wanneer moet de 'alarmbel' rinkelen en moet hij nader onderzoek doen? En welke kinderen hebben een verhoogde kans op herhaalde koortsstuipen? Dit waren de kernvragen van het onderzoek dat in het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam werd uitgevoerd, in samenwerking met twee andere Nederlandse kinderafdelingen en vier buitenlandse onderzoeksgroepen.

Ruggeprik

Een van de belangrijkste vragen is of er bij alle kinderen een ruggeprik (lumbaalpunctie, LP) dient te worden verricht om hersenvliesontsteking uit te sluiten. Het vroegtijdig herkennen van een hersenvlies-ontsteking is van belang voor een snelle behandeling van deze gevaarlijke ziekte. De kinderarts kan hiertoe een LP doen om hersenvocht op ontstekingsverschijnselen te onderzoeken. Maar gezien het feit dat in de meeste gevallen het ondergaan van een LP voor het kind een traumatische ervaring betekent, zal de arts liefst alleen een LP verrichten indien er een duidelijke verdenking bestaat op hersenvliesontsteking.

Uit Offringa's onderzoek blijkt dat bij 1 tot 4 procent van de kinderen die na een dergelijke aanval op de EHBO worden gezien, een hersenvlies ontsteking wordt gevonden. Een van zijn belangrijkste bevindingen is dat het onderscheid tussen kinderen met 'onschuldige koortsstuipen' en kinderen met een hersenvliesontsteking met grote zekerheid gemaakt kan worden met behulp van anamnese (vragen over de ziekteverschijnselen rond het tijdstip van de aanval) en een gedetailleerd lichamelijk onderzoek. Zo is bij kinderen met een ongecompliceerde stuip, zonder alarmerende verschijnselen bij anamnese en lichamelijk onderzoek een LP niet nodig.

Herhaalde aanvallen

In de meeste gevallen wordt na onderzoek door de arts - naast de koorts - geen oorzaak voor de aanval gevonden. We spreken dan van een 'koortsstuip'. Koortsstuipen moeten worden onderscheiden van epilepsie. Van epilepsie spreekt men wanneer er meerdere stuipen zonder koorts optreden. Uit eerder onderzoek is gebleken dat verreweg de meeste kinderen zich na een koortsstuip verder geheel normaal ontwikkelen. Wel treedt bij zo'n 30 procent van deze kinderen tijdens een volgende koortsperiode een nieuwe (recidief) stuip op. Tien procent van alle kinderen met koortsstuipen maken zelfs drie of meer aanvallen door. Het is mogelijk om met medicijnen de kans op herhaalde koortsstuipen te verlagen. Echter, de hierbij gebruikte medicamenten hebben ongewenste bijwerkingen zoals sufheid, gedragsproblemen en maag-darm klachten. De vraag hierbij is welke kinderen voor een profylactische (beschermende) behandeling in aanmerking komen en in welke gevallen de nadelen niet opwegen tegen de voordelen.

Offringa vond dat de kans op herhaalde aanvallen verschilt van kind tot kind en afhangt van een aantal risicofactoren. De belangrijkste factor is de leeftijd van het kind: de meeste herhalingen treden op op de leeftijd van 12 tot 24 maanden. Als epilepsie of koortsstuipen in de familie voorkomen, is de kans op meerdere aanvallen verhoogd. Daarentegen blijkt dat als de temperatuur ten tijde van de eerste aanval boven de 40 graden C is, dit een relatieve bescherming geeft tegen verdere stuipen. In geval van herhaalde aanvallen is het totale aantal doorgemaakte koortsstuipen bepalend voor de kans op verdere aanvallen. Toch zijn bijna alle kinderen op de leeftijd van 5 jaar aanvalsvrij. Op grond van deze resultaten is het nu mogelijk om bij individuele kinderen nauwkeuriger de herhalingskans te bepalen.

Rationeel beleid

Een belangrijke conclusie van het onderzoek is dat - zowel met het oog op het uitsluiten van een hersenvliesontsteking als het vaststellen van de kans op herhaalde aanvallen - een gedetailleerde anamnese en een nauwkeurig lichamelijk onderzoek de enige goede aanknopingspunten voor het medisch beleid vormen.
Aanvullend laboratorium onderzoek, waaronder een LP, is slechts bij een minderheid van de kinderen nodig. Het onderzoek van Offringa heeft inmiddels geleid tot een aantal vervolgonderzoeken, waarbij momenteel de effectiviteit van een koortsverlagend medicijn wordt beproefd om herhaalde aanvallen te voorkomen bij kinderen die daarop een verhoogde kans hebben.

Promotores: prof.dr. J. Lubsen, Theorie van het klinisch handelen, en prof.dr. H.K.A. Visser, emeritus Kindergeneeskunde.
Promotie, woensdag 29 november, 9.45 uur, Collegezaal 7, Hoboken.
Info: bij de promovendus, tel. 020 - 566 9111, of bij de afdeling Interne & Externe Betrekkingen, tel. 010 - 408 1777.


Naar home-pagina EUR Naar Nieuws

Laatste wijziging van dit document 17 november 1995 door H.L. Verster