Ik wil deze gelegenheid aangrijpen om het millennium project 'Intermedialiteit'
te presenteren van het Centrum voor Filosofie & Kunst, het CFK,
dat deze maanden tevens haar eerste lustrum viert. Beschouwt u dit als
het vaststellen van onze en van uw aanwezigheid, kortom als - zoals
de Fransen dat zo mooi zeggen - een acte de présence.
We leven in dynamische tijden. We worden steeds wereldser, dat wil zeggen
steeds globaler. De strikt afgebakende domeinen van wetenschap, kunst
en politiek hebben door de snelheid en intensiteit van communicatie-,
informatie en transportmedia hun specifieke, afgebakende identiteit verloren.
Slechts kwantitatieve crieteria lijken hun bestaan te garanderen: studenteninstroom,
bezoekersaantallen en electorale statistieken sturen de inhoudelijke dynamiek
binnen deze domeinen. De ideeën van waaruit maatschappelijke en culturele
processen ruim een eeuw werden gestuurd hebben aan zeggingskracht ingeboet.
Zowel de kunst als de politiek zoeken naarstig naar nieuwe inspiratiebronnen
om een nagenoeg alomtegenwoordig pragmatisch denken om te buigen. De wetenschap
maakt eveneens een crisis door: haar technologische aanspraken worden
niet meer op voorhand geaccepteerd. Een pas op de plaats lijkt vooralsnog
de meest inventieve ingreep. Ook de filosofie verkeert al geruime tijd
in een crisis. Misschien onderscheidt zij zich van de andere maatschappelijke
en culturele praktijken door haar per definitie gegeven vermogen deze
crisis, die zich in een nijpende behoefte aan nieuwe ideeën en concepten,
al denkend te doorstaan. Deze denkarbeid leidt er toe dat er nieuwe ideeën
en concepten kunnen ontstaan die meer zijn toegesneden op de problemen
van deze dynamische tijd.
Voorgeschiedenis CFK
Zoals gezegd bestaat het CFK, de enige niet-giftige CFK, die zich niet
in een ijskast laat zetten, nu vijf jaar. Vergunt u mij een korte blik
op haar voorgeschiedenis. Eind 1992 wordt het CFK als een werkverband
van filosofen binnen de Faculteit der Wijsbegeerte van de Erasmus Universiteit
opgericht. Geïnitieerd door Awee Prins en naast hem bemand door Jos
de Mul, door mij en sinds kort ook door Ger Groot is het CFK van meet
af aan gericht op een systematische exploratie van de raakvlakken tussen
filosofie en kunst. Daarbij werd de door de leden in de daaraan voorafgaande
jaren opgedane expertise nog grotendeels theoretisch ingezet. Dit leidde
tot een tweetal lezingencycli: een eerste met financiële ondersteuning
van RKS in Zaal de Unie, een tweede met die van CBK in de aula van Boymans
Van Beuningen. Hoewel het Centrum zich expliciet op de conceptvorming
in de Rotterdamse en Nederlandse discussie richt, achtte ze het niet beneden
haar stand om kunstfilosofen als Arthur Danto en Peter Sloterdijk naar
Rotterdam te halen. Ter gelegenheid van de lezing met Danto krijgt het
CFK officieel zijn beslag. Zijn afkondiging van "het einde van de
kunst" betekent, zoals hij zelf reeds aangaf, niet dat de kunst ophoudt
te bestaan, maar dat een bepaalde opvatting over de kunst zijn zeggingskracht
heeft verloren. In dat licht krijgen de werkzaamheden van de leden van
het CFK hun specifieke betekenis. De neerslag van de lezingen in de Unie
en in Boymans vindt u in twee deeltjes van de Roterdamse Filosofische
Studies die in de vitrinekast liggen. (Ik kan niet nalaten u bij deze
gelegenheid te wijzen op het deze week uitgekomen deel 23: Existentialisme
en humanisme in postmoderne tijden. Sartre, Camus en Bataille herdacht
) Voorts zijn in een onder auspiciën van het CBK uitgegeven bundel
Spiraal gesprekken opgenomen tussen filosofen en kunstenaars. Ook
hierin participeerde het CFK.
In de daaropvolgende jaren is de theoretische arbeid verdiept en verbreed.
Geleidelijk aan brak bij het CFK het inzicht door dat niet alleen de grenzen
tussen de verschillende artistieke disciplines, maar ook die tussen kunsttheorie
en filosofische conceptualiteit zijn vervaagd en dat deze vervaging om
een nieuwe oriëntatie vraagt. Dat de filosofie niet meer over
maar met de kunst spreekt, kreeg een praktische uitwerking. Naast
het geven van lezingen over en deelname aan debatten binnen allerlei artistieke
disciplines - variërend van beeldende kunst, architectuur en grafische
vormgeving via de podiumkunsten (theater, dans en muziek) en literatuur
tot aan fotografie, film en nieuwe media - zijn de leden van het CFK in
allerlei praktische werkverbanden gaan participeren. Deze arbeid variëert
nu van het schrijven van catalogieteksten en het begeleiden van kunstprojecten
tot het adviseren van kunstinstellingen. Het spreekt voor zich dat door
deze meer beleidsmatige dimensie de politiek in beeld kwam. Deze politieke
dimensie tekent zich altijd af tegen de achtergrond van sociaal-politieke
vraagstukken die in andere filosofische debatten werden besproken. Eén
voorbeeld volstaat: het multi-cultidebat in de kunst staat niet los van
een discussie over de multiculturele en multi-etnische samenleving en
dit vraagstuk hangt vervolgens weer samen met de discussie over interculturaliteit.
Reeds bestaande werkgroepen en onderzoeken binnen de faculteit die zich
afzonderlijk met deze vraagstukken bezighouden - de werkgroep 'interculturele
filosofie' onder leiding van emeritus hoogleraar Heinz Kimmerle en het
onderzoek 'sociale cohesie en multiculuraliteit' van de bijzonder hoogleraar
Jan Willem Duyvendak - vormen mede de theoretische basis voor het CFK
als interdisciplinair platform.
"De anticonceptie voorbij"
Filosofie, kunst en politiek: 'intermedialiteit'. Het afgelopen jaar
is onder deze titel een onderzoeksproject opgezet waarin de diffuse velden
tussen filosofie, kunst en politiek systematisch en gefaseerd - en hier
openbaart zich misschien nog de wetenschappelijke pretentie van de filosofie
- worden geëxploreerd. Onder het motto "de anti-conceptie voorbij"
zullen er reeksen lezingen, interviews, gesprekken, forumdiscussies -
deels voor een selecte groep, deels voor een breder publiek - worden gehouden.
Daar de filosofie zich ter dege bewust is van haar soms te theoretische
input zijn er samenwerkingsverbanden gecreëerd. Niet alleen met de
vakbroeders en -zusters uit de Faculteit der Historische en Kunstwetenschappen,
maar ook met allerlei culturele in de stad. De inhoudelijke besprekingen
met het Centrum voor Beeldende Kunst - met wie overigens deze bijeenkomst
is georganiseerd -, met Zaal de Unie en de Kunststichting en met Kunstcentrum
Witte de With zijn in een vergaand stadium. De nieuwjaarstoespraak van
de directeur van Boymans van Beuningen laat er bovendien geen twijfel
over bestaan dat de gelijkstemdheid met het CFK een hechte basis kan zijn
voor een vruchtbare samenwerking. Voorlopig kan het project beschikken
over een viertal podia: de FdW van de Erasmus Universiteit, De Unie, het
CBK en Witte de With. Daar zullen in de loop van de komende twee jaar
gesprekken, debatten en forumdiscussies worden georganiseerd waarin nagenoeg
alle dimensies van kunstpraktijken aan bod zullen komen: van subsidiebeleid
via het multiculturaliteit tot aan de conceptontwikkeling binnen meer
theoretische discussies. Het definitieve programma staat nog niet vast
maar over de contouren en de bezetting van de discussies is al overeenstemming
bereikt. Ook hier slechts een voorbeeld: onder het motto "de kunst ligt
op straat" zal in samenwerking met het CBK een project worden ingezet
over kunst in de openbare ruimte, waarbinnen de discussie over zogenaamde
'hangjongeren' een niet te veronachtzamen rol speelt.
Kunst: "de kunst moet uit de verf komen"
Hoe schat het CFK de rol van de kunst in? Laat ik Awee Prins citeren:
"het wordt tijd dat de kunst uit de verf komt". Of anders gesteld:
wat is in een zich globaliserende samenleving de rol en de waarde van
kunstpraktijken? Ik zou dit motto enigszins willen nuanceren. Als er over
het kunstdebat wordt gesproken, zijn het doorgaans vertegenwoordigers
van de beeldende kunst die het woord voeren, vaak bijgestaan door architecten,
filmers en nieuwe media specialisten. Ik geef toe: zij doen een aardige
duit in het conceptuele zakje. Maar daarmee wordt de schijn gewekt dat
kunst zich uitsluitend beperkt tot beeldende kunsten in de ruime zin van
het woord. "De kunst moet uit de verf komen" houdt naar onze mening tevens
in dat andere, minder 'spraakmakende' disciplines als de podiumkunsten
(theater, dans, muziek), fotografie en literatuur eveneens in het debat
worden betrokken. Ook daar blijkt er een behoefte aan nieuwe conceptualiteit
en politieke zeggingskracht. Ik verwijs daartoe naar het artikel van de
schrijfster Nelleke Noordervliet over de Rotterdamse binnenstand in het
door de filosoof Michiel Wielema opgerichte en geredigeerde blad Weena
over Rotterdamse stadscultuur. Wielema's initiatief ligt geheel in de
lijn van de intenties van het CFK.
Politiek: global-local
Hoe schat het CFK de rol van de politiek in? Ik merkte reeds aan het
begin op dat we door de wereldeconomische imperatieven steeds globaler
zijn geworden. Voor sommigen betekent dit tevens dat we oppervlakkiger,
luchtiger, vluchtiger zijn geworden. Dat ricico zit erin. Rotterdam als
wereldhaven, Dunya als grootste multiculturele manifestatie, het Internationale
Filmfestival dat op dit moment begint (en nu dan ook: de grootste ets),
deze locale manifestaties zetten Rotterdam op de wereldkaart. Maar werkelijk
'globaal' zijn, kan slechts wanneer er een locale verankering is: 'global'
veronderstelt een herkenbaar, zo niet radicaal locaal zijn. Ook de mogelijkheid
om serieus mee te dingen naar een positie als culturele hoofdstad van
Europa valt of staat bij een locale identiteit die vooral door zijn locale
herkenbaarheid een globale uitstraling krijgt. Een stad die zich op politiek
niveau manifesteert als een reële kandidaat om culturele hoofdstad
te worden kan niet buiten een herkenbaar eigen toon- en uiteenzetting.
Maar, zo menen wij, daarbij dient er geen sprake te zijn van een eenduidige,
vaste, geforceerde identiteit. Wat is deze locale 'identiteit' zonder
een levend cultureel debat dat alle domeinen van het maatschappelijk en
culturele veld in beweging brengt? Gaat het immers niet om een dynamiek
die alle Rotterdammers beroert? Een conceptuele dynamiek die voortdurend
posities in beweging brengt en die, gegeven het multi-culturele, multi-etnische
en multidisciplinaire gehalte van de Rotterdamse cultuur, daardoor reeds
een betrokkenheid bij de politiek uitdraagt? Institutioneel gezien voldoet
Rotterdam aan alle eisen: er is een Universiteit, waarin ook over kunst
en cultuur wordt nagedacht, er zijn toonaangevende centra voor beeldende
kunst, een fotoinstituut, een instituut voor architectuur, een spraakmakend
filmfestival. De debatcultuur - helaas nog te versnipperd - vindt hier
zijn verankering. Deze ontwikkeling moet worden uitgebreid naar de letterlijk
minder spraakmakende disciplines.
Natuurlijk zijn deze discussies al lang gaande: in onderlinge gesprekken
tusen individuele kunstenaars, in de kunstenaarsinitiatieven, het atelieroverleg,
de kunstcentra en op beleidsniveau. De aansluiting op de internationale
discussie is daarbij van groot van belang. Ook deze dient in Rotterdam
plaats te vinden. Maar zodra dit internationale debat niet wordt gedragen
door een locale debattencultuur - en, zo zou ik eraan willen toevoegen:
als een financiële ondersteuning en substantiële waardering
voor de locale kunstcultuur uitblijft - klinkt deze globale stem, hoe
diepgravend de inhoud en hoe intelligent de uitwerking ook moge zijn,
nog slechts op als een ijle echo en is het gevaar dat het ongefundeerde,
lege conceptualiteit wordt, niet ondenkbaar. Geen enkel cultuur heeft
globale zeggingskracht als er geen systematisch en doorgaand intellectueel
debat is dat deze locale cultuur draagt.
Filosofie: "van Kant gemaakt"
Ten slotte de derde poot van het project 'Intermedialiteit': de filosofie.
Menig filosoof heeft in zijn pogingen om de wortels van het postmoderne
debat bloot te leggen begrepen dat "de moderne filosofie van Kant
is gemaakt". Filosofen hebben misschien nog steeds het hoogste, maar
zeker niet langer het laatste woord. Maar evenmin als de kunst betekent
het "einde van de filosofie" dat het filosoferen ophoudt. Zeker
de Rotterdamse Faculteit der Wijsbegeerte wordt gedragen door het besef
dat vanaf dat moment filosoferen binnen een bredere context moet plaats
vinden. De academische exegeet - de voormalige boekenwurm - blijft onontbeerlijk.
Maar de filosoof kan zich ook als interdisciplinaire moderator in vakwetenschappelijke
discussies mengen. Of hij of zij kan zich als een verlicht reflectie therapeut
over ethisch en sociale problemen buigen. Misschien voegt het CFK een
nieuwe dimensie toe aan dit scala van filosofische personages: als tegenhanger
van de conceptuele kunstenaar presenteren zij zich als hoogst kunstmatige
denkers.
Ik rond af. Twee jaar geleden is de Faculteit der Wijsbegeerte van het
hart van de campus verhuist naar deze dit door Rietveld ontworpen gebouw.
Ons bekroop in eerste instantie het beangstigende gevoel dat we onbedoeld
- zoals het in goed postmodern jargon heet - gedecentreerd en gemarginaliseerd
werden. Maar al snel werd duidelijk dat we eigenlijk op de juiste plaats
terecht waren gekomen: er is nu daadwerkelijk een bewegende brug geslagen
tussen de universiteit en de stad. Aan de spanningvolle relatie tussen
wetenschap en het cultureel-maatschappelijke veld is met deze conceptuele
ponton een nieuwe schakel toegevoegd.
Het CFK is niet zomaar een werkplek en zeker geen afwerkplek. Ze ziet
zich als een even liefdevolle als eigenzinnige partner van de kunst en
de politiek met wie zij een open relatie wil aangaan. Of het een culturele
werkplaats of laboratorium zal worden, hangt mede af van haar partners.
Het zal er in ieder geval naar streven een vrijplaats te zijn waarin conceptuele
bewegingen in gang worden gebracht en ongetwijfeld vele vruchtbare plannen
en projecten geboren zullen worden.
Henk Oosterling.