"The prime concern of the sociologist must be with the interactional
processes through which a variety of interpretations may be produced,
and the consequent conflicts, challenges, negotiations, accomodations,
disputes, and so on. These, taken together, constitute the social world
which both provides a context in which the various groups and individuals
pursue their interests and is a source of the meanings and schemes of
interpretation which are available to orient their actions. In this
sense, the imposition of meanings, and resistance to them, is to be
understood as a political process."
(P.J. Martin; Sounds and Society. Themes in the sociology of music)
Het Centrum voor Filosofie en Kunst (CFK), onderdeel van de Faculteit
der Wijsbegeerte van de Erasmus Universiteit Rotterdam wil een bijdrage
leveren aan een systematisch en doorgaand intellectueel debat dat
de Rotterdamse kunstwereld (mede) moet dragen en haar zeggingskracht
vergroten. Hierbinnen past ook de aandacht voor ontwikkelingen en
initiatieven binnen de Rotterdamse muziekcultuur. Het hierna volgende
is een beknopte analyse van het streven van de Rotterdamse muziekwereld
om tot een nieuw centrum voor actuele muziek (CAM) te komen en de
(politieke) problemen die hierbij optreden. Achtereenvolgens wil
ik de aandacht vestigen op de rol van de muziek en de musici, de
rol van de filosofie en de rol van de politiek.
Marcel Cobussen
1. De rol van de musici
Een CAM: Wat?
Sinds 1994 zijn er tussen diverse Rotterdamse muziekinstellingen en
Rotterdamse musici gesprekken gaande over de mogelijkheid en wenselijkheid
te komen tot een nieuw Centrum voor Actuele Muziek (CAM).
Dit centrum zou een aantal functies in zich moeten verenigen. Op de eerste
plaats is het CAM bedoeld als podium voor eigentijdse luistermuziek in
een zeer brede zin: jazz, geïmproviseerde muziek, moderne gecomponeerde
muziek, wereldmuziek, elektronische muziek, (kleinschalig) muziektheater,
performances, videoart/ nieuwe media, avantgarde popmuziek en klassieke
muziek (mits passend en relevant binnen de context van het CAM). Ten tweede
zou het CAM repetitieruimtes en werkplaatsen moeten gaan herbergen voor
(lokale) musici en componisten. Ten derde zou het een meer algemene ontmoetingsplek
- een muziekcafé - moeten worden voor musici, componisten, muziekstudenten
en publiek. Het CAM zou ook een debat en reflectiefunctie moeten gaan
vervullen middels workshops, publikaties en theorievorming waarbij een
identiteitsonderzoek - wat is actuele muziek? - niet vermeden mag worden.
Tenslotte zouden in het CAM een documentatie-afdeling en een winkel een
plaats moeten krijgen.
Een CAM: Waarom?
Waarom is volgens de initiatiefnemers een nieuw Centrum in Rotterdam
wenselijk en zelfs noodzakelijk geworden? De argumenten bestrijken een
breed spectrum dat aan de ene kant begrenst wordt door een kunstinhoudelijke
en ideologische inzet en aan de andere kant een pragmatisch en politiek
fundament heeft. Hieronder heb ik de voornaamste argumenten volgens dit
spectrum op een rij gezet. In de loop der jaren zijn er steeds argumenten
bijgekomen of is de nadruk komen te liggen op een ander soort argument.
Zo is op het moment dat de politiek expliciete aandacht krijgt voor het
multi-culturele karakter van Rotterdam, het argument dat het CAM zich
duidelijk wil profileren als een podium dat niet louter westerse muziek
programmeert duidelijker naar voren gebracht.
Muziek-intrinsiek: de kwaliteit. Het CAM moet kwalitatief hoogwaardige
muziek garanderen (o.a. eindelijk weer een podium voor de nationale en
internationale jazz (sub)top). Samenwerking met nationale en internationale
podia (BIM, De Vooruit, Stadgarten, IRCAM, De Singel) zou het mogelijk
moeten maken duurdere concerten en projecten betaalbaar te houden. Muziek-intrinsiek:
het CAM staat voor een grenzen doorbrekende programmering (westers-niet-westers,
pop-jazz-klassiek).
Muziek-intrinsiek en economisch. De voordelen van een bundeling van voorzieningen
betekent een bundeling van de financiën en dit kan weer leiden tot
een interessantere programmering.
Muziek-intrinsiek en politiek: een centrum met een duidelijke profilering
en (inter)nationale uitstraling trekt musici en componisten aan en houdt
ze in Rotterdam. Het CAM moet (daarom) een kernpodium worden voor Muziek
en Theater Netwerk, Gaudeamus, SJIN en aanverwante organisaties en niet-westerse
muziek (RASA).
Muziek-intrinsiek, politiek en cultureel. Het CAM is niet bedoeld om andere
kleinschalige initiatieven op lokaal muziekgebied (Dizzy, Doelencafé,
De Blauwe Vis) in de toekomst onmogelijk te maken. Dit zijn in de eerste
plaats café's en in mindere mate concertpodia. Het CAM is geen
vervanging hiervoor maar een aanvulling. Politiek-cultureel: het leggen
en in stand houden van Rotterdamse, nationale en internationale contacten.
Dit past bij Rotterdam wanneer zij culturele hoofdstad wordt.
Politiek-cultureel: de multi-cultuur. De politiek vindt dat culturele
sector met name op multicultureel gebied moet groeien (zie het collegeprogramma
de Veelkleurige Stad en Koers 2005 waarin de nadruk ligt op het verbeteren
van de kwaliteit van de stedelijke samenleving). Het CAM voorziet in een
multi-culturele programmering. Daarbij is muziek de discipline bij uitstek
die diverse (muzikale) culturen met elkaar in contact brengt.
Politiek-cultureel: muziek is de discipline bij uitstek om participatie
onder nieuwe publieksgroepen op gang te brengen. Economisch: de kwantiteit.
Het CAM heeft als taak de publieke belangstelling uit te bouwen (nieuw
publiek, met name jongeren en allochtonen) en te stimuleren (verbreding
en verdieping bij reeds bestaand publiek). De verwachting is dat de publieke
belangstelling zal aantrekken wanneer er één lokatie is.
Eén centrum maakt een meer gerichte publieksbenadering mogelijk.
Institutioneel. In het verleden is Thelonius als jazzpodium met kwaliteitsaanbod
weggevallen. Daarnaast voldoen de bestaande muzieklokaties niet (Jazz
in Popular is een tijdelijke oplossing en dit geldt eveneens voor de muziekprogrammering
in Lantaarn/Venster) of gaan verdwijnen (Dodorama, de repetitieruimte
voor het Rotterdam Jazz Project). De huidige versnippering wordt door
het CAM tegengegaan.
Het CAM: Wie?
De voornaamste initiatiefnemers van het CAM zijn Zaal de Unie, de Rotterdamse
KunstStichting, de Stichting Jazz in Popular en Dodorama. Zaal de Unie,
Popular en Dodorama zouden met de komst van een CAM als muziekpodium verdwijnen.
Daarnaast is een van de grootste initiatiefnemers het Rotterdams Muzikanten
Platform (RMP), een deels voor het verwezenlijken van een CAM opgerichte
vereniging van musici en componisten.
Maar het initiatief om tot een CAM te komen wordt binnen de Rotterdamse
muziekwereld nog breder gedragen: ook het Rotterdams Conservatorium, de
Stichting Kunstzinnige Vorming Rotterdam, het Rotterdams Componisten Front
en de hobby-orkesten de Rotterdamse Improvisatie Poel en het Rotterdam
Jazz Project ondersteunen de plannen van harte. Verder zijn er veel enthousiaste
reacties van landelijke muziekorganisaties en niet in Rotterdam woonachtige
musici en componisten.
Het CAM kan met andere woorden rekenen op een breed draagvlak binnen de
(Rotterdamse) muziekwereld.
2. De rol van de filosofie
Welke rol speelt de filosofie of eigenlijk beter gezegd, de cultuurtheorie
in het streven naar een CAM? In een discussie-bijeenkomst aangaande
het CAM wordt geconcludeerd dat de legitimatie voor een dergelijk centrum
aanvankelijk nog gebaseerd was op de (institutionele) problemen van vroeger
(bij de argumenten voor een CAM geldt dit bijvoorbeeld ten aanzien van
het wegvallen van Thelonius als spraakmakend jazzpodium). Gaandeweg echter
is de legitimatie meer gericht op de mogelijkheden van de toekomst, het
multi-culturele karakter van de (Rotterdamse) samenleving en het wegvallen
van de grenzen tussen pop, jazz en klassieke muziek. De legitimatie voor
een CAM sluit aan bij wat in de cultuurtheorie bekend staat als het postmoderne
gedachtengoed.
Diverse rapporten die in de loop der jaren over het CAM zijn verschenen
beginnen met een paragraaf waarin de link wordt gelegd met analyses over
veranderingen die in de westerse cultuur de afgelopen decennia hun intrede
hebben gedaan. Centraal hierbij staan de aandacht voor grensoverschrijdingen
binnen de muziek en tussen diverse kunstvormen onderling en het multi-culturele
karakter van de westerse samenleving. Zo publiceert het Walter Maas Huis
in 1996 in opdracht van het ministerie van OC&W een rapport over nieuwe
ontwikkelingen in de wereld van de jazz, geïmproviseerde, niet-westerse,
wereld en hedendaagse gecomponeerde muziek. In een conclusie wordt een
positief advies voor de totstandkoming van een CAM geformuleerd 'omdat
het goed aansluit bij trend van disciplinaire cross-overs en interdisciplinariteit'.
In andere rapporten wordt op een soortgelijke manier de westerse cultuur
geanalyseerd:
De Westerse cultuur maakt een periode van vergaande diversificatie door.
Nieuwe stromingen en stijlen, nieuwe disciplines en media hebben hun eigen
representanten en hun eigen publiek. De dwarsverbindingen worden allereerst
binnen de disciplines zelf gelegd. De gemiddelde componist van vandaag
is op de hoogte van de ontwikkelingen in de popmuziek, jazz, improvisatiemuziek,
electronica. Maar ook de 'crossovers' naar andere disciplines worden steeds
talrijker. Installaties en geluidssculpturen verkennen het terrein tussen
muziek en beeldende kunst. Muziektheater en dans maken steeds vaker gebruik
van video, electronica en andere geavanceerde media (Naar een Centrum
voor Actuele Muziek in Rotterdam, mei 1996).
De situatie in de huidige muziekpraktijk wordt gekenmerkt door een steeds
grotere mate van ongebondenheid: historisch gegroeide stijltyperingen
zoals klassiek, pop en jazz zijn voor vele musici geen op zichzelf staande
stromingen meer, maar bronnen waaruit vrijelijk geput kan worden (Nieuwsbrief
RMP, maart 1995).
Als centrum waarin eveneens de grens tussen westerse en niet-westerse
muziek wordt geslecht, heeft het CAM ook aandacht voor het multiculturele
karakter van de (Rotterdamse) samenleving:
In de discussies die bij de RKS gevoerd worden in het kader van multicultureel
kunstbeleid komt steeds naar voren, dat muziek dé discipline bij
uitstek is die de participatie onder nieuwe publieksgroepen [lees met
name: etnische groepen, MC] op gang kan brengen, en het aanbod in de stad
met nieuwe cultuuruitingen kan verrijken (Uit een rapportage van de Stichting
Actuele Muziek Rotterdam aan de wethouder van Kunstzaken, de heer Kombrink,
maart 1998).
De initiatiefnemers van het CAM constateren evenwel ook dat deze postmoderne
doorbraak van een modernistische hokjesgeest nog lang niet alle geledingen
van de maatschappij heeft bereikt. Hoewel op artistiek gebied de grenzen
tussen verschillende stromingen binnen een discipline als de grenzen tussen
de verschillende kunstdisciplines worden bevraagd, lijkt dit op institutioneel
niveau nog op grote structurele problemen te stuiten:
De infrastructuur van podia en subsidies wordt nog in hoge mate bepaald
door verzuiling. Ook in het kunstbeleid zien we de scheiding tussen gecomponeerde
muziek en jazz/geïmproviseerde muziek terugkomen, onder meer in de
gescheiden subsidiekanalen van Stichting Gaudeamus en de Stichting Jazz
in Nederland (Naar een Centrum voor Actuele Muziek in Rotterdam, sept.
1995).
Het CAM presenteert zich als een centrum waar vernieuwing en dwarsverbindingen
beiden tot hun recht kunnen komen. Het biedt ruimte aan artistieke mengvormen
waar de huidige podiumsituatie in (en buiten) Rotterdam nog even weinig
op berekend is als het huidige, verkokerde subsidiestelsel. Het CAM speelt
daarmee in op de pluriformiteit van de hedendaagse kunst en cultuur.
De postmoderne filosofie of cultuurtheorie wordt dus met name ingezet
ter legitimatie van een CAM.
3. De rol van de politiek
De Commissie Advisering Kunstenplan 1997-2000 bekijkt in 1996 onder
andere plannen voor investeringen bedoeld om bepaalde 'witte vlekken'
in het Rotterdamse culturele leven in te kleuren. De Commissie erkent
de infrastructurele problemen binnen de muzieksector maar stelt in haar
advies omtrent een CAM: 'In het beoogde aanbod zou onder andere de Doelen
moeten kunnen voorzien' en 'Het ontbrekende kan een plaats krijgen op
bestaande, daarvoor geschikte podia in de stad. De sector [muziek, MC]
is meer gebaat bij extra geld voor een of meer deskundige programmeurs
van het aanbod, dan bij uitbreiding van het aantal podia' (notitie van
22 mei 1996).
Dit advies leidt binnen de initiatiefnemers van het CAM tot verbazing
en ergernis. Helaas ziet de Commissie niet in dat het hier juist gaat
om een afname van aantal podia en in het verlengde hiervan een afname
van de overhead (de Commissie houdt een pleidooi voor minder institutionalisering,
minder overhead). In dezelfde notitie signaleert de Commissie een te westers
aanbod voor een westers publiek. De inzet van het CAM is juist dit te
doorbreken. Tenslotte is in diverse rapporten over het CAM steeds geprobeerd
te laten zien dat het Rotterdam juist ontbreekt aan een geschikt podium.
Maar ook op politiek niveau lijkt het postmoderne gedachtengoed na een
aantal decennia ingang te hebben gevonden. In 1996 stelt de Raad voor
Cultuur in het kader van Kunstenplan 1997-2000: 'De Raad acht het van
belang dat de schotten die er tot nu toe veelal bestaan tussen de verschillende
muziekcircuits worden verlaagd en zo mogelijk afgebroken'. Na deze analyse
keert de Raad vervolgens evenwel haastig terug op meer pragmatische schreden:
'De Raad juicht de totstandkoming van het CAM op zichzelf toe, maar adviseert
u met de toewijzing van een meerjarige subsidie te wachten tot de realisatie
vastere vormen heeft aangenomen'.
Ook het ministerie van OC&W vindt bij monde van staatssecretaris Nuis
dat er in de toekomst een CAM zou moeten komen. Desalniettemin wijst hij
een rechtstreeks subsidieverzoek voor het CAM af met de argumenten dat
het gebouw voor het CAM een zaak voor de stad Rotterdam is (eerst een
gebouw dan subsidie) en dat de bekostiging daarvan zou moeten verlopen
door middel van subsidies die nu naar Zaal de Unie gaan.
Henk Oosterling constateert in zijn lezing 'Bewegende
bruggen. Filosofie, kunst en politiek in gesprek': 'Zowel de kunst
als de politiek zoeken naarstig naar nieuwe inspiratiebronnen om een
nagenoeg alomtegenwoordig pragmatisch denken om te buigen'. Ten aanzien
van de eventuele totstandkoming van een CAM lijkt dit niet meer dan
een geslaagde poging tot wishful thinking. De kunstwereld wordt overheerst
door de politiek terwijl deze laatste op haar beurt weer beheerst wordt
door een vergaande pragmatiek.
De pragmatische redenen die de politiek vooralsnog afhouden van een
positief advies voor de totstand koming van een CAM spitsen zich toe op
twee punten: het probleem van de lokatie en het probleem van de bezoekersaantallen.
De Raad voor Cultuur heeft vooral reserves omdat er nog geen geschikte
lokatie is. Zij juicht het initiatief voor een CAM toe wanneer Rotterdam
een concreet plan en een concrete lokatie te bieden heeft. De afgelopen
jaren zijn er ten aanzien van het vinden van een geschikte lokatie allerlei
haalbaarheidsonderzoeken gedaan. Tot nu toe heeft de politiek met het
meest voor de hand liggende maar ook het meest politiek-legitieme argument
de plannen in de ijskast gezet: Het is te duur! Wanhopig vragen de initiatiefnemers
van het CAM zich langzamerhand af waar het imago van Rotterdam als besluitvaardige
en daadkrachtige stad vandaan komt.
Ondanks dat Oosterling suggereert dat de kunst en de politiek voorbij
het pragmatisme willen komen constateert ook hij dat 'ook in de kunst
slechts kwantitatieve criteria het voortbestaan garanderen: de bezoekersaantallen
sturen de ontwikkeling'. Het rapport van het Walter Maas Huis pleit weliswaar
voor een CAM maar bevat ook enkele praktische, inhoudelijke en stedelijk-politieke
kanttekeningen. Om politiek te overtuigen moet er een nauwkeuriger inschatting
gemaakt worden naar de hoeveelheid publiek die het centrum zou moeten
bereiken.
Concrete uitspraken over publieksaantallen zijn natuurlijk hachelijk.
Een optelsom van de bezoekersaantallen van Zaal de Unie, Popular en Dodorama
lijkt weinig zinvol omdat een CAM aantrekkelijker kan programmeren en
als centrale accomodatie een grotere aantrekkingskracht zou kunnen uitoefenen.
Toch is er zeker twijfel met betrekking tot het publieksbereik. Rotterdam
staat op dit gebied bekend als een moeilijke stad; zij blijft in publieksbereik
vaak achter bij andere steden.
Bij wijze van tijdelijke conclusie
De te dure lokatie en de onzekerheid of het publiek een nieuw CAM zal
weten te vinden en waarderen weerhouden de politiek dus vooralsnog van
een positief advies (lees: een structurele financiële bijdrage).
De politieke argumenten hebben tot nu toe zwaarder gewogen als de artistieke
en filosofische!
Bij de totstandkoming van een dergelijk prestigieus project als het
CAM zijn in ieder geval drie dingen van belang: er moet een draagvlak
bestaan bij de betrokken muziekinstellingen en lokale musici en componisten,
er moet een geschikte lokatie gevonden worden en de medewerking van de
politiek wordt vereist.
Met name op dit laatste punt loopt een en ander tot nu toe stuk.
Een vergelijking dringt zich op met Den Bosch waar een soortgelijk initiatief
wel lijkt te slagen; daar wordt de Synagoge een podium met een vergelijkbare
programmering als die het CAM voor ogen staat. De belangrijkste reden
waarom een dergelijk project in Den Bosch wel van de grond is gekomen
lijkt de politieke bereidheid te zijn; vanaf het begin heeft de Bosche
politiek achter een centrum voor nieuwe muziek gestaan. Dit betekent dat
er vanaf het begin redelijk wat geld is vrijgemaakt om te voorkomen dat
synagoge-project zou vastlopen en dat de politiek zich van meet af aan
actief heeft ingezet om een geschikte lokatie te vinden.
Ik wil afsluiten met een citaat uit de lezing van Oosterling: 'Werkelijk
globaal zijn kan slechts wanneer er een lokale verankering is'. Slechts
vanuit een lokale identiteit en herkenbaarheid is het mogelijk tot een
globale uitstraling te komen. Wanneer Rotterdam zich als culturele hoofdstad
van Europa wil manifesteren, is het wenselijk en zelfs noodzakelijk dat
zij kan en wil luisteren naar het unisono fortissimo van de Rotterdamse
muziekcultuur.