|
|
Aïsja Zingen
of Zwijgen?
Debat o.l.v. Awee Prins, deelnemers o.m. Ger Groot
7 februari 2001, Platform 17, Studium Generale EUR.
Op 7 februari 2001 vond de "Platform 17" bijeenkomst, het tweemaandelijkse
discussieprogramma van Studium Generale van de Erasmus Universiteit
Rotterdam plaats, gewijd aan de afgelasting van de opera "Aïsja
en de vrouwen van Medina" die het Onafhankelijk Toneel als een van
de hoogtepunten van Rotterdam CH 2001 op de bühne wilde brengen.
De afgelasting was in elk geval pijnlijk voor regisseur Gerrit Timmers
die, lang voor Rick van der Ploegs oekaze, ruim baan heeft trachten te
maken voor culturele diversiteit. Timmers' samenwerking met Marokkaanse
acteurs, zangers en regisseurs leidde onder meer tot de veelgeprezen voorstelling
"De beschaving Mijn Moeder". Zijn aandacht voor de rol van vrouwen in
de islamistische wereld en zijn pogingen negatieve beeldvorming van de
Islam in Nederland te pareren, hebben hem bij de voorbereiding van 'Aïsja'
evenwel parten gespeeld. Er hing overigens al onweer in de lucht. De opera
is gebaseerd op het boek "Ver van Medina" van de Algerijns-Franse schrijfster
Assia Djebar, wiens werk in Algerije is getroffen door een fatwa, maar
niet - en dit speelde een belangrijke rol in het debat - in de rest van
de Arabische wereld.
Voornaamste steen des aanstoods in Timmers' productie was het voornemen om Aïsja,
de jongste vrouw van de profeet Mohammed, op het toneel uit te beelden, hetgeen
op grond van de Koran volstrekt verboden is. Ook enkele op Koranverzen gebaseerde
teksten zouden te sensueel van toon zijn en tenslotte zou de emancipatie van de
vrouw, met name door een negatief beeld van de profeet te schetsen, die Aïsja
wat hypocriet en ten onrechte van overspel beticht, zou voor de Islamistische
gemeenschap in Nederland onaanvaardbaar zijn.
Het gaat dus - kordaat verwoord - om het conflict tussen artistieke uitingsvrijheid
en een religieus beeldverbod en andere religieuze bezwaren. Een mooie test-case
zou men zeggen, juist voor de multiculturele samenleving waar naartoe Nederland
zich vallend en opstaand beweegt. In plaats van een constructief debat vond een
onverkwikkelijke stroom van gebeurtenissen plaats. De verwikkelingen zijn overigens
nog steeds niet helder; naar verluidt werden acteurs, zangers en musici met anonieme
faxen bedreigd. Die faxen zijn nooit boven water gekomen, wel was er, zoals Van
der Ploeg het aanduidde, een 'perceptie van bedreiging' waardoor de genoemde kunstenaars
hun medewerking aan de opera opzegden en Gerrit Timmers de voorstelling kort voor
de première moest afgeslasten.
Timmers is wel verweten dat hij onvoldoende heeft beseft dat de voorstelling krenkend
zou zijn jegens de Islamitische gemeenschap in Nederland. Timmers heeft zich tegen
dit verwijt verweerd door er op te wijzen, dat hij zich in een vroeg stadium van
de prouctie tot de Marokkaanse ambassade heeft gewend, waar hem te verstaan werd
gegeven dat zijn project weliswaar een gevoelig onderwerp betrof, maar niet op
onoverkomelijke bezwaren zou stuiten.
Het probleem is nu, dat de ambassade de Marokkaanse overheid vertegenwoordigt,
die een 'zachte' vorm van de Islam propageert. Net als het Christendom kent de
Islam, zeker in Nederland, een nuanceverschil tussen gereformeerde ('fundamentalistisch'
klinkt zo militant) en meer vrijzinnige vorm van geloof.
Mohammed Sghir, voorzitter van de Samenwerkende Arabische Jongeren in Nederland
heeft geen goed woord over voor de sussende woorden van de ambassade. De opera
schendt absolute religieuze verboden; opvoering zou beledigend zijn en tot ongeregeldheden
kunnen leiden (waarbij hij overigens bedreigingen uitsloot). Timmers zou zijn
huiswerk niet goed hebben gedaan en uitsluitend met individuen hebben gesproken
"die niets van de islam weten" (over beledigingen gesproken!).
Ook Fatima Elatik, PvdA-gemeenteraadslid te Amsterdam, meent dat de afgelasting
tercht is. In meer algemene termen stelt zij, dat de vrijheid van meningsuiting
te ver is doorgeschoten. De afgelasting van de voorstelling noemt zij "een moedige
daad".
Is die vrijheid van meningsuiting in Nederland werkelijk te ver doorgeschoten?
Laten wij eens naar wat precedenten kijken. In de jaren zestig vond het zgn. 'Ezelproces'
plaats. De schrijver Gerard Reve beschrijft in 'Nader tot U' hoe hij met God in
de gestalte van een ezel de liefde bedrijft. Na een aangespannen proces wegens
Godslastering, wordt Reve vrijgesproken. Iets dergelijks gebeurde ook toen Willem
Frederik Hermans de katholieke gemeenschap zou hebben beledigd in de jaren zeventig
Wederom werd de schrijver vrijgesproken, evenals in andere processen, waarvan
meest recentelijk tegen Herman Brusselmans.
Anders verliepen de zaken met de voorgenomen opvoering van Fassbinders "De Stad,
het Vuil en de Dood". Het stuk zou een belediging zijn voor het joodse volk. Na
een spraakmakende, naar later bleek, door hem zelf geënsceneerde ontvoering van
Jules Croiset werd de opvoering afgelast. De nasleep van deze geruchtmakende zaak
heerst nog steeds, zoals blijkt uit de recente confrontatie tussen Harry Mulish
en Freek de Jonge.
Wat moet er gebeuren wanneer een kunstenaar of een kunstwerk een bepaald deel
van de bevolking kwetst - een omstandigheid die in het multiculturele Nederland
geen uitzondering is. Minimum optie is natuurlijk dat de gekwetsten zich verenigen
en protest aantekenen, waarvan de Bond tegen het vloeken een goedwillende, maar
machteloze getuigenis vormt. Deze verontwaardigden van de in alle media en gremia
plaatsvindende overtreding van het verbod Gods naam ijdel te gebruiken, vinden
op hun posters "Wie vloekt verliest" telkens weer de in viltstift opgetekend prozaïsche
repliek: "maar wie verliest vloekt nog harder".
De oprichting van een "Bond van iconoclasten" zal ook niet veel meer kunnen doen
dan pamfletten uitdelen aan de poort van Theater Zuidplein - waar Aïsja zou
worden opgevoerd- waarin de bezoekers wordt duidelijk gemaakt dat het vertoonde
de relieuze gevoelens van een deel van de Nederlandse bevolking krenkt.
Welke mogelijkheden liggen er tussen vaag en veelal vergeefs protest en bedreiging?
In elk geval dit: debat. Een fundamentele discussie over artistieke vrijheid en
meer in het algemeen: de vrijheid van meningsuiting moet op korte termijn worden
aangegaan. Critici van de tolerantie waar de Nederlandse samenleving nog steeds
prat op gaat, wraken de morele en religieuze ongenaakbaarheid van de kunst. De
veelgeprezen vrijheid van meningsuiting is volgens deze critici een bedenkelijk
grondrecht, dat het recht op belediging, godslastering en zelfs pornografie waarborgt.
Een dergelijke discussie zou ook - met ingewijden in het forum worden aangegaan
op 12 februari in theater Zuidplein, waar o.m. Abdelkader Benali, Mohammed Benzakour,
Ahmed Aboutalib en Iman Khairoe tezamen kwamen met als inzet de stelling, dat
de afgelasting een spiegel van de multiculturele samenleving is en vraagt om een
debat over de "spelregels van een multiculturele samenleving". Dat laatste is
een uitdagend maar ook heikel project, wanneer bedacht wordt dat staatssecretaris
van der Ploeg krachtig van leer is getrokken tegen elke vorm van inmenging van
hogerhand in de kunsten. Dat - zoals door de eerder genoemde Mohammed Sghir -
Timmers toestemming had moeten vragen aan Islamistische leiders in Cairo noemt
van der Ploeg "de wereld op zijn kop".
Toch valt er iets voor te zeggen. In de reclamewereld bestaat er zoiets als een
reclamecodecommissie, die ervoor waakt dat reclame-uitingen niet kwetsend zijn.
Stel je voor: op televisie verschijnt een zwarte man, die keer op keer verliest
met schaken. Hij eet een Chiquita-banaan en wint. Er zou onmiddellijk worden ingegrepen.
Mag in de kunsten alles? Ger Groot wees tijdens Platform 17 op een niet onbelangrijke
ontwikkeling. Kunst is in de westerse wereld in zekere zin in de plaats gekomen
van de religie en heeft de onaantastbaarheidsstatus van de teloorgegane religie
overgenomen. Anderzijds is de huidige kunst vermengd met allerlei andere uitingsvormen
en overschrijdt zij steeds meer haar voormalige grenzen, niet in de laatste plaats
richting reclame, zodat een andere benadering van het al dan niet oorbare mogelijk
wordt: de aantasting van de goede zeden. Maar wat zijn 'goede zeden' in een multiculturele
samenleving? Het vermijden van conflicten, of juist het uitspelen van verschillen
om die multiculturaliteit aan het licht te doen treden? Censuur vooraf lijkt ongewenst
- tenzij het zelf-censuur betreft. Misschien is het voldoende dat een voorstelling
wel wordt opgevoerd, op verzet stuit, waarna een gang naar de rechter kan volgen.
De genoemde 'spelregels' veronderstellen namelijk de bereidheid rekening te houden
met de gevoelens van minderheden. Maar met welke minderheden wordt rekening gehouden?
Niet met de gereformeerden. Homo's hebben inmiddels een zwaar bevochten plaats
verworven, en paradigmatisch is de zorgvuldigheid waarmee met de gevoelens van
de joodse minderheid wordt omgesprongen. Wanneer islamieten in Nederland op dezelfde
sympathie zouden kunnen rekenen als de joodse gemeenschap sinds 1945 (let daar
wel op!) zou deze voorstelling zonder vermeende bedreigingen maar met een stevige
PR-exercitie zijn afgeblazen, en waren bedreigingen onnodig.
|
 |