Centrum Filosofie en KunstCFK Uitgaves
CFK VoorgeschiedenisCFK OntwikkelingsstrategieenCFK HOMECFK Symposia
CFK LezingenCFK UitgavesCFK webZineOnderwijsKunstenCFK Workshopsmedewerkers
 <- CFK.SUBURLS

 

IN DE REEKS Rotterdamse Filosofische Studies; Filosofie en Kunst 1:

RFS14:Van Plato tot Nietzsche: acht inleidingen in de esthetica
H.A.F. Oosterling & A.W. Prins (red.)


PLATO OVER KUNSTENAARS EN KUNSTWERKEN
Kanttekeningen bij de grote waterscheiding

Awee Prins

 

Woord vooraf: Waarom bij Plato beginnen?

Dat deze bundel Inleidingen in de Esthetica bij Plato (427-347) begint kan enigszins verbazen. Tenslotte is ook vóór Plato over kunst nagedacht. Veel van de grote Griekse kunst, zoals de epische dichtkunst van Homerus en de tragedies van Sophocles, dateert van vóór Plato. Op de toernooien waar dichters de pennen kruisten werd heftig gedebatteerd over de merites van de verschillende voorstellingen. Gedachten over kunst zijn ook gedocumenteerd in die kunst zelf: zo beschrijft Homerus in de Ilias Achilles' schild, en voegt daar met de woorden: "het was een prachtig (wonderlijk) stuk werk", een vroeg esthetisch oordeel aan toe (Ilias XVIII, 548). Ook is vóór Plato gewag gemaakt van gedachten over de oorsprong van de kunst: Homerus roept aan het begin van de Ilias de muzen aan en zowel hij als Hesiodus verhalen van de goddelijke inspiratie die de kunstenaar beweegt (Ilias XVIII, 548; Odyssee, VIII, 42-45; Hesiodus: Theogonie 22 v.). Ook lieten filosofen vóór Plato zich bepaald voortvarend uit over de kunst, waarover aanstonds meer.

Anderzijds is het eerst bij Plato dat het wetenschappelijk en systematisch denken zijn intrede in de westerse wereld doet. Plato's systematisch vermogen is zo indrukwekkend, dat de 20e eeuwse filosoof Whitehead eens verzuchtte, dat de hele westerse filosofie uit een reeks van "voetnoten bij Plato" bestaat. Nu is dit laatste gechargeerd, maar niet geheel onjuist, wanneer er ook 'horrelvoetnoten' en 'dissonante noten' worden onderscheiden. In elk geval heeft Plato ook waar het de vraag naar de kunst betreft belangrijke palen en perken gesteld; na hem beweegt dit vragen zich in een voortdurend gesprek met zijn gedachtengoed. Wij melden ons dus aan een goed adres. Er dient zich evenwel nog een opmerkelijk gegeven aan: Plato heeft geen 'esthetica' geschreven, dat wil zeggen: geen afgebakende filosofische theorie over de kunst. Daarmee lijkt toch een bedenkelijk uitgangspunt te zijn gekozen voor een reeks "inleidingen in de esthetica"; maar het woordje 'bedenkelijk' heeft meer dan één betekenis. In Plato's tijd gold de esthetica niet als een aparte discipline. Dat is niet zomaar een constatering, maar geeft te denken; in zekere zin wordt hiermee de versnippering van disciplines uitgedaagd, die zo karakteristiek is voor de westerse filosofie. De vraag naar de kunst ligt bij de Grieken (nog) ingebed in de vraag naar het leven zelf. De kunst werd slechts gradueel als een bepaalde vaardigheid (technè) onderscheiden van andere vaardigheden, zoals de ambachten. Meer dan voor ons hedendaagsen het geval is, was voor de Grieken de kunst geïntegreerd in het leven. Collingwood wijst er in dit verband op dat de Grieken geen afgebakend woord hadden voor kunst, noch voor schoonheid. To kalon, het schone, betekent tevens het goede, passende. Een nobel, moedig man is kalos; analoog duidt to aischron niet alleen op het lelijke, maar tevens op het onbetamelijke, laakbare. Aischros is bijvoorbeeld iemand die laf is (Wetten 655a-b). Wij treffen deze polysemie ook in het moderne taalgebruik nog aan (men levert mij een 'lelijke' streek en ik antwoord met een 'mooi' gebaar of beschrijf deze - overigens onwaarschijnlijke - affaire in een 'goed' boek). Maar hier is eerder sprake van overdrachtelijk taalgebruik dan van echte polysemie; lexicaal liggen voor ons de zaken duidelijker dan in het antieke Griekenland. Te zeggen, dat de Grieken nog pre-gedifferentieerd dachten mag ons - als opgemerkt - niet verleiden tot zelfgenoegzaamheid omtrent de differentiatie van fysica, ethiek, logica, esthetica enzovoorts. Misschien getuigt deze differentiatie in allerlei disciplines juist van het uiteenvallen van een meer oorspronkelijke, maar in vergetelheid geraakte eenheid van het bestaan.

Wij vinden bij Plato dus geen esthetica, maar wel - en over nagenoeg alle dialogen verspreid - uitgesproken gedachten over de praktijk van de kunstzinnige schepping, over de ervaring van kunst en over de plaats van de kunst in het leven en het samenleven. Plato's gedachten over kunst staan evenwel onder het strenge toezicht van een heel bepaalde interesse: de vraag naar de waarheid. Deze inzet is niet vanzelfsprekend, maar wel hardnekkig kenmerkend voor het westerse denken, dat over kunst niet uitgezonderd.

 

1. Plato's uitgangspunt

Omdat geen denker met een blanke lei begint, ook Plato niet, moet een enkel woord gezegd worden over de situatie waarin Plato zijn gedachten over kunst heeft ontwikkeld, een oud woord van Goethe indachtig, dat elke denker zich niet alleen op iets richt, maar telkens ook tegen iets.

Waartegen richt Plato zich? In de eerste plaats tegen de overschatting en zelfoverschatting van de dichters. In de vijfde eeuw voor Christus genoten dichters als Homerus en Hesiodus grote roem. Van oudsher werden in de Griekse cultuur dichters als opvoeders beschouwd, maar in de vijfde eeuw voor Christus nam hun aanzien een grote vlucht; zij golden als leermeesters, experts, wijzen, zieners en profeten; hun werken waren gezaghebbende handboeken van opvoeding, vorming en wetenschap. Wat Plato (en een aantal filosofen vóór hem) nu in het bijzonder stoorde, was de vermetelheid waarmee de dichters over de goden spraken. De goden verschijnen in hun werken als twistzieke, overspelige, echtbrekende leugenaars, die listen beramen en hinderlagen leggen, zich vermommen, zich wreken enzovoorts. Deze aan de goden toegeschreven eigenschappen stroken niet met hun morele voortreffelijkheid. Onaanvaardbaar is voor Plato niet zozeer het kwaadspreken, maar de onjuiste bepaling van de godheid: goden veranderen niet, zij vermommen zich niet en misleiden en verleiden niet (Staat 381c). Het is Plato dus niet zozeer om religieuze ernst te doen, maar om de indachtigheid van het eeuwig ware, waarvoor de dichters geen oog hebben en waar zij, zo zal blijken, ook geen adequaat zicht op hebben.

Behalve tegen de overschatting van de autoriteit van de dichters keert Plato zich tegen bepaalde politiek-culturele ontwikkelingen van zijn tijd. In de zesde en vijfde eeuw wordt de democratie in Athene de meest prominente staatsvorm. Daarbij profileert zich een heel bepaalde kunst: de retorica, de kunst van het overtuigen. Welsprekendheid en retoriek nemen de plaats in van traditie en autoriteit. De sofisten (van: sophos, 'wijze') maken zich breed in de Griekse wereld: rondtrekkende leraren die tegen betaling ambitieuze jongelingen opleiden in welsprekendheid en argumentatieleer. Zij leren dat er geen absolute waarheid bestaat, maar slechts tijdelijke en plaatselijke waarheid. Waar hedendaagse cultuurfilosofen in de sofistiek een vrijheidsbeweging bespeuren en zelfs kiemen zien van een post-modernisme avant la lettre, zag Plato vóór alles het gevaar van manipultatie en demagogie.

 

2. Het Oude Geschil

De felle polemiek met dichters en sofisten van waaruit Plato zijn denkbeelden over kunst ontwikkelt en waardoor een zeker reactief moment zijn gedachten beheerst, is door een aantal andere denkers voorbereid. In de loop van de zesde eeuw voor Christus komt een controverse de westerse wereld in, waarnaar Plato meerdere malen verwijst als het 'Oude Geschil' (palaia diaphora (o.a. Staat 607 b-c)): het geschil tussen dichters en denkers, tussen hen die verhalen van de mythen en hen die de logos als enige maatstaf kiezen. Dit Oude Geschil speelt een belangrijke, zo niet beslissende rol bij de opkomst van het Griekse denken, waarin de weg wordt afgelegd van mythos naar logos. Eerst van hieruit komt de vraag op naar het onderscheid van het veranderlijke, onzekere enerzijds, en het eeuwig bestendige en ware anderzijds. In naam van de logos onderneemt een aantal filosofen vóór Plato een ware kruistocht tegen de dichters. Zo merkt merkt Xenophanes op: "Alles hebben Homerus en Hesiodus aan de goden toegeschreven wat bij mensen schande en smaad is: stelen, overspel en elkaar bedriegen" (DK 21 B 11). En Heraclitus meent dat Homerus verdient van de festivals te worden verdreven en een pak slaag te krijgen (DK 22 B 42). "Wat is hun besef of verstand?", vraagt hij. "Zij vertrouwen op populaire zangers en steunen op de massa...." (DK 22 B 104). Pythagoras zag in de Hades, het dodenrijk, Hesiodus aan een zuil gekluisterd jammeren en even verderop Homerus door slangen omringd aan een boom vastgebonden staan, voor straf, om wat ze over de goden hadden gezegd.

Plato denkt op eigen wijze en meer systematisch voort op deze weg. Opmerkelijk is daarbij in de eerste plaats het verschil in toon: Plato mijdt de norse toon van zijn voorgangers en uit zich mild, bijna hoffelijk tegenover de kunstenaars (Staat 595a-608b). Toch velt ook hij een onvoorwaardelijk oordeel over de kunst, maar - en dit is belangrijk - vanuit een heel bepaald uitgangspunt en met een heel bepaalde bedoeling. Plato's polemiek met de kunsten beoogt een radicale emancipatie van de kunsten tot de ware kunst: de filosofie. Plato wijst de kunst dus niet resoluut af, zoals de filosofen vóór hem, maar staat in een bijzonder gecompliceerde verhouding tot de kunst. Iets van deze verhouding wordt in deze bijdrage belicht. Daarbij zal in het bijzonder worden gevraagd naar de mogelijke diepere zin van de spanning die bestaat tussen het overgeleverde beeld van Plato als 'dichter-wijsgeer' en dat van de denker die de kunstenaars met pek en veren, of in Griekse termen: "met geurige olie overgoten en met veren omkranst" uit de Ideale Staat laat sturen.

Een opmerkelijke anecdote werpt al enig licht op bovengenoemde spanning. Hoewel Plato in de autobiografische Zevende Brief stelt van jongs af aan tot de politiek te zijn voorbestemd, een bestemming die hij uiteindelijk voor de filosofie zou verruilen, was hij als adolescent, ongeveer tot zijn twintigste jaar, dichter, kunstenaar. Plato stamde uit een aristocratische familie, waarin de dichters niet ontbraken. In enkele dialogen, zoals de Charmides, brengt hij zijn verwantschap met de dichter Solon ter sprake (Charmides 155a). In zijn jeugd schreef Plato, als alle kinderen van goeden huize, gedichten; hij schreef dithyramben (verhalende gedichten) en naar verluidt zelfs tragedies. (Dat is op zich niets bijzonders, zelfs ik schreef in mijn jeugd gedichten, de tragedies hoefde ik niet te schrijven, die kwamen vanzelf.) De ontmoeting met Socrates (omstreeks 407) veroorzaakt een radicale ommekeer in Plato's leven. Hij verbrandt zijn gedichten en kiest voor de filosofie. Over dit biografisch gegeven is veel gespeculeerd. Het is natuurlijk een mooie aanleiding om met gevoel voor drama te spreken van "twee zielen in één borst": een filosofenziel en een kunstenaarsziel. De filosoof Plato zou onder invloed van Socrates de kunstenaar radicaal uit zijn leven hebben verbannen. Ook de roddelzieke Diogenes Laërtius heeft zich deze kans niet laten ontnemen; bij de ontmoeting met de overweldigende Socrates (die er prat op ging geen notie van kunst te hebben), zou de door verering verblinde adolescent zijn neergekrabbelde pennevruchten aan een verzengend vuur hebben toevertrouwd. De psychologisering van Plato's ommekeer gaat zelfs zover, dat de niet al te geslaagde dichter Plato uit jaloezie de dichters met veel venijn in zijn dialogen zou hebben achtervolgd. Wel lijken wij de anecdote in zoverre te moeten honoreren dat het hier om een emotionele, beslissende daad of gebeurtenis is gegaan, om een keerpunt. In zekere zin is de ontmoeting met de filosofie voor de jonge Plato een openbaring geweest en schrijft hij als een bekeerling over en tegen zijn jeugdzonde. Het is echter de vraag of er werkelijk sprake was van een dramatisch persoonlijk conflict. De twee zielen in Plato's borst staan in een heel bepaalde onderlinge verhouding. Er loopt een weg van de kunst van de schijn naar de filosofie als kunst van de waarheid. Plato heeft vóór alles getracht een voorbarig denken te boven te komen; hij heeft de poëzie willen oplossen in een hogere intellectuele, geestelijke waarde: de filosofie.

 

3. Kunst en ambacht: eerste waterscheiding

Zoals werd opgemerkt, stond in het antieke Griekenland de kunst niet op zichzelf. De schone kunsten werden met de ambachten gerekend tot de poiètikè technè, de 'voortbrengende kunsten'. Aanvankelijk neemt Plato deze indeling over. Zijn nadrukkelijke aandacht voor de kennis- en waarheidsaanspraken van de kunst leidt hem bij nadere bezinning echter tot een scherpe cesuur binnen de voortbrengende kunsten. Al in een van de eerste dialogen, de Apologie, laat hij Socrates vragen naar de eigen autoriteit van de kunstenaar. Nadat hij het beperkte vakmanschap van de staatslieden aan de kaak heeft gesteld (dat wil zeggen van degenen die op het punt staan hem een dodelijk glaasje dollekervel aan te bieden) komen de ambachtslieden aan de beurt. Socrates wijst op de beperktheid van hun expertise. Alle vaardigheden (technai) zijn beperkt: de schoenmaker weet alleen iets van schoenmaken, maar niets van bijvoorbeeld de smeedkunst. Ernstiger evenwel is de beperktheid van de schilder en de dichter. Ambachtslieden hebben weliswaar slechts beperkte kennis (niet alleen ten opzichte van andere ambachten, maar ook ten opzichte van de gebruiker, want de gebruiker is een betere vakman dan de maker: zo kan de fluitspeler de fluit en de ruiter teugels en breidels eerst echt naar waarde schatten), maar de vaklieden kunnen wel rationeel rekenschap afleggen van hun vaardigheid (Gorgias 462b-465e). Socrates verzucht dat hij tevergeefs naar wijsheid heeft gezocht bij de dichters. Hun moet welbeschouwd elk vakmanschap worden ontzegd: zij begrijpen zelf niet wat zij gemaakt hebben, springen als het ware over de technè, het wetend vakmanschap, heen en ontberen elke kennis en mogelijke verantwoording. Hun werken berusten zelfs niet op persoonlijke verworvenheid, zoals levenswijsheid, maar eerder op bedrevenheid: op tuchè in plaats van technè, niet op vaardigheid, maar op een toevallige verworvenheid, aan anderen ontleend. In de werken na de Apologie verschijnt de kunstenaar dan ook steeds nadrukkelijker als de mindere van de ambachtsman.

Hierbij moeten wij voortdurend bedenken dat de kunst, met name de dichtkunst, in Plato's tijd krachtig aanspraak maakte op pedagogische en didactische autoriteit; en het is vooral deze pretentie waar Plato zijn pijlen op richt. De dichters doen alsof zij alles weten (zo geeft Homerus allerlei niet zelden levensgevaarlijke aanwijzingen op het gebied van geneeskunst en krijgskunst), maar in feite weten zij niets en berust hun kennis op het opdissen en rangschikken van gemeenplaatsen. De dichtkunst biedt slechts schijnkennis en de dichter leidt de mensen rond in een schijnwereld van duisternis en onwetendheid.

 

4. Theia mania

Nu vraagt Plato ook positief naar het specifieke vermogen van de kunstenaar. Weliswaar kan deze geen rationele verantwoording afleggen voor zijn werk, maar hij beschikt wel over een heel uitzonderlijk kunnen, dat berust op de theia mania, de 'goddelijke waanzin'. Met alleen verstand is nog nooit een kunstwerk gemaakt. Het 'weten' van de kunstenaar berust in positieve zin op een goddelijke inspiratie, hij is door de muzen 'bevlogen'. In dit opzicht staat de kunstenaar boven de ambachtsman; want de ambachtsman is, hoe goed hij zijn 'techniek' ook beheerst, nog geen kunstenaar (Phaedrus 245a). Wel tekent Plato aan, dat de theia mania geen verdienste van de kunstenaar is; alle eer komt de goden, de muzen toe. In de dialoog Io ontmaskert Socrates de misplaatste pretenties van de ijdele declamator Io. Hij wijst erop dat de betovering (mania) belangrijker is dan de kunstenaar zelf - de muze kiest bijvoorbeeld niet zelden 'eenmalig' haar begenadigden. Socrates maakt de vergelijking tussen de muze en een magneet. Een magneet maakt ijzeren ringen magnetisch en doet ze aan elkaar hangen. Zo bezielt de muze eerst de dichters, door hen de rapsoden (declamatoren) en door hen weer het publiek. De eerder ontwikkelde inzichten worden nu scherper aangezet: de kunstenaar - bijvoorbeeld de dichter - schrijft zijn gedicht als 'tolk van de muze' die hem beheerst. De rapsoden zijn als het ware 'tolken van tolken' (Io, 535b).

Al in het vroege werk verschijnt naast het onderscheid binnen de poiètikè technè, een - zij het nog niet werkelijk scherp - onderscheid binnen de verschillende muzen, dat in de latere dialogen nader wordt uitgewerkt. Wanneer Plato in de Phaedrus de goddelijke waanzin opnieuw ter sprake brengt, onderscheidt hij vier verschillende gedaanten: de profetische waanzin van de waarzegging, de katharsische waanzin van de (geestes)ziekte en de verrukking van de tedere en reine ziel die in vervoering wordt gebracht om de daden van de historische helden weer te geven; deze worden overtroffen door de vierde en eigenlijke mania: de mania eroos. Deze manie berust op 'anamnese', op de herinnering van de gevallen ziel aan haar hemelse oorsprong. Om het fundamentele verschil tussen de eerste drie en de vierde mania te benadrukken wordt tussen de beschrijving van de derde en de vierde mania de 'zielenmythe' ingevoerd (Phaedrus 245a-249d). Hierin wordt de hiërarchie aangegeven van de in de lichamen gekluisterde zielen, al naar gelang zij in een eerder bestaan meer of minder van de waarheid hebben aanschouwd. De filosoof (dialektikos) bezet de hoogste plaats. Op hem volgen: de wetsgetrouwe koning, de staatsman, de dokter, de ziener, de dichter, de vakman, de sofist en tenslotte de tiran (Phaedrus 248d-e). De dichter staat dus laag op de ladder; hij heeft van de waarheid maar weinig aanschouwd en kan deze ook nooit adequaat bezingen.

 

5. Filosofie als hoogste muze

De filosofie beschouwt Plato van nu af aan, in een kritische correctie van de 'klassieke indeling' van de muzen die op Hesiodus teruggaat, als 'hoogste muze'. Zijn stelling dat deze muze tevens de hoogste wetenschap is, omdat zij ware kennis (epistèmè) nastreeft, verbiedt echter een relatief onderscheid tussen de poëtische waanzin en de inspiratie van de filosoof. Bij nader inzien wordt de kunst dus ook nog uit het domein van de mousikai in ware zin geweerd: de mimetische, nabootsende kunsten zijn geen echte kunsten. Hun inspiratie is uitsluitend irrationeel; hun produkten onwerkelijk. Deze scheiding binnen de mousikai wordt hernomen in de dialoog Symposium waarin, evenals in de Phaedrus, de god Eros, hier geïdentificeerd met het Schone, centraal staat. Nu zouden wij kunnen verwachten in het Symposium, het meest vruchtbare drinkgelag uit de geschiedenis van de westerse filosofie met Socrates als overwinnaar boven en onder de kurk, aanwijzingen omtrent een filosofie van de kunst aan te treffen. Niets is echter minder waar: na enkele lofzangen op de dichtkunst, die - volgens Socrates' gesprekspartner Agathoon - door Eros zou zijn geïnspireerd, gedenkt Socrates de wijze lessen van de zieneres Diotima. Deze noemt Eros niet de god van de kunstenaars, maar een wijsgeer (Symposium 204b). Wanneer in het Symposium de stadia worden beschreven die leiden tot de zuivere idee van het Schone, blijft de kunst buiten spel. De weg voert van het lichamelijke, betrekkelijke, 'erotisch'-bewonderde schone tot het zedelijk en redelijk schone, dat uitreikt naar de hoogste vervolmaking in het zuivere Schone. Bij de beschrijving van de (uit-)tocht naar het Schone wordt de kunst dus in het geheel niet genoemd, zij wordt als het ware uit de vraag naar het Schone weggezuiverd. Alleen de aardse, lichamelijke schoonheid als uitdrukking van intelligentie en fierheid biedt een eerste aanzet tot de weg naar het Schone, niet de kunst. De kunst heeft zelfs geen bemiddelende functie, zij brengt niet op weg, maar stoort slechts. Plato's denken lijkt te culmineren in een diametrale oppositie van kunst en schoonheid. Kunst en schoonheid zijn elkaars volstrekt tegengestelde; zij behoren tot een geheel verschillende orde van zijn: de kunst is aan de zintuiglijke wereld van de schijn gebonden, de schoonheid is 'vleugellicht' boven alle zinnelijkheid verheven. In een soort 'negatieve esthetica', zo dit begrip hier geoorloofd is, tracht Plato de kunsten hun juiste plaats te wijzen, door hun een eigen(lijk) weten èn een eigen(lijke) goddelijke inspiratie te ontzeggen. Maar hoe kan de ontologische status van het kunstwerk dan wel worden begrepen?

 

6. Mimèsis

Als opgemerkt beoordeelt Plato de kunst eenzijdig op haar waarheids- en werkelijkheidsgehalte. Wezenlijk is de kunst volgens Plato een vorm van mimesis; een complex begrip, dat in het kader van Plato's filosofie 'nabootsing' of 'afbeelding' betekent. Al vóór Plato was de mimesis-these ontwikkeld, zij het uitsluitend met betrekking tot dans en toneel. In de dans en op het toneel worden scènes uit het leven nagebootst (dat kan variëren van een staaltje `mime' (het woord zegt het al) en kan uitlopen tot 'scenes uit een huwelijk', waar men als het ware bij de buren naar binnen zit te gluren. Dans en toneel ontlenen hun kwaliteit aan het treffende van de mimèsis. Een rover op het toneel behoeft een ooglap of een witte boord, een onbereikbare geliefde behoeft een balkon; een kamerbrede nimf daarentegen overtuigt alleen zwaargestraften in het gevang. Deze theorie over toneel en dans was in Plato's tijd gemeengoed. Plato past de mimèsis-theorie echter toe op alle kunsten. Hij radicaliseert en totaliseert: alle kunsten, dus ook beeldhouwkunst, schilderkunst, muziek en niet-epische poëzie worden in de categorie van nabootsing ingelijfd (Wetten 667d-668b). Dit betekent natuurlijk een vervaging van het mimèsis-begrip (nabootsing in dans is tenslotte van heel andere aard dan in muziek, zo bij de laatste überhaupt van mimèsis gesproken kan worden) en tevens een overdrijving van een bepaald aspect van de kunst: het gebrek aan oorspronkelijke realiteit dat de imitatie eigen is. De verschillende gedaanten van de mimèsis: gelijkenis (homoiosis) en vergelijking (paraplesia) vinden hun eenheid in hun afgeleide waarheids-en werkelijkheidsstatus.

Deze gedachten liggen ingebed in Plato's ontologie, de wijze waarop Plato het ontstaan en bestaan van het al van het zijnde denkt. In een opmerkelijke passage voor een filosoof die breken wil met het dichterlijke, mythische denken beschrijft Plato in de Timaeus de mythe van het ontstaan van de wereld. De wereld is voortgekomen uit de werkzaamheden van de goddelijke ambachtsman, de Demiurg, die de wereld als het ware (zelden was deze uitdrukking zo treffend!) heeft gevormd en geordend naar het voorbeeld van de Ideeën (Timaeus (28-29). Het is belangrijk op te merken, dat onder 'Idee' in Plato's denken niet zoiets als een gedachte wordt verstaan, maar de primaire, onafhankelijke vorm, gestalte of archetype. De Ideeën vormen ook niet de 'top' van het zijnde; zij zijn de enige ware werkelijkheid, de kern van de werkelijkheid, waarvan onze wereld een nabootsing, een schijngedaante is, en de nabootsing van die werkelijkheid in de verschillende kunsten is niets dan dubbele schijn. Het kunstwerk treffen wij dus op de derde en laagste trede in Plato's hiërarchische ontologie: elk ding is een afbeelding van de eeuwige vorm, idee of 'archetype'. Op zijn beurt is het kunstwerk daarvan weer een afbeelding, en wel: een treffende of een niet treffende. Binnen de afbeeldingen van de kunst moet dus ook nog onderscheid worden gemaakt tussen treffende afbeelding (eikon) en overdrijving of bedrog (phantasma). In de bij deze ontologie behorende epistemologie (kenleer) heeft de kennis die het kunstwerk verschaft dan ook de laagst-mogelijke status, die van eikasia (schijnkennis) (Staat X 597e). Het kunstwerk toont bovendien telkens slechts facetten, aspecten, een bepaald uitzicht of perspectief. Of dit nog niet erg genoeg is, zoekt de kunstenaar bovendien alleen maar beelden die mooi lijken (Sofistes 236a); deze schoonheid is echter altijd betrekkelijk, vergankelijk en afhankelijk van individuele smaak (Staat 479a). Achter de betrekkelijke schoonheid ligt de eeuwige vorm of gestalte (Phaedrus 249 b-c). Ontdoe het kunstwerk van zijn stilistische 'kleuren', zegt Plato, breng het tot de zuivere mededeling terug en zie wat er van overblijft! (Staat 601a-b)

Het kunstwerk 'deugt' dus niet. Onvermoeibaar benadrukt Plato de ontologische inconsistentie van het kunstwerk. Het kunstwerk, bijvoorbeeld het schilderij, is geen adequate voorstelling. De adequate voorstelling is het ding zelf. In een beroemde en beruchte passage wijst Plato erop dat de enig werkelijk treffende afbeelding van een bed een (ander) bed zou zijn (Cratylus 432; zie ook Staat 596 - 599b). Plato ziet dus alleen de `inhoud' van het kunstwerk (Gorgias 502c; Symposium 194b). Het geschilderde bed is afgeleide werkelijkheid in de tweede macht: het is de afbeelding van een afbeelding (Staat 596a-599b). In deze wereld van de dubbele schijn tast de kunstenaar rond, blind als Homerus.

Plato staat dus in het geheel niet stil bij de eventuele winst of zijnsaanwas van het kunstwerk. Ook de verschillende uitvoeringen (van bijvoorbeeld een tragedie) vormen geen verrijking van het oorspronkelijke werk; zij lijden zelfs onder mimèsis in sterkere zin: zij raken meer en meer vervreemd van de meer 'oorspronkelijke' nabootsing van de werkelijkheid. Plato heeft totaal geen oog voor de vraag of hier een nieuw kunstwerk ontstaat. Alles wordt van de oorsprong af gerekend. Ook andere dimensies van de kunst: het versterken van de mogelijkheidszin (de kunst opent nieuwe perspectieven), de louterende werking (van bijvoorbeeld de 'scènes uit het huwelijk' op de moeizaam getrouwd blijvende toeschouwer) zijn bij voorbaat in discrediet gebracht. Voor Plato is de kunst uitsluitend schijn, niet verschijning, laat staan verschijning van dimensies van waarheid. In een platonistische esthetica zou de zin van de vele verschillende gestalten van het bed in (de geschiedenis van) de schilderkunst onopgemerkt blijven. Dat het bed in 'De Droom' van Henri Rousseau, het bed waarop Manets Olympia ligt, het bed op Gaugains 'Manau Tupapau', het bed in de hoek van Van Goghs kamertje, de bedden in de hoerenkasten van Toulouse Lautrec, of het bed in Kienholz' 'Het Staatsziekenhuis' op eigen wijze zouden kunnen participeren aan de oorspronkelijke Idee (om het nog zo platoons mogelijk uit te drukken), daarvan is geen sprake. Door de nadruk op de Idee als archetype en model blijft de betekenis van de verschijning, het 'werk' on(der)belicht. De verschillende presentaties lossen voor Plato op in hun representatie: de verwijzing naar de Idee.

 

7. Verbanning en curatele

De kruistocht tegen de kunstenaars kan nu beginnen: vragen wij naar ware kennis, dan komen de kunstenaars in het antwoord niet voor, vragen wij naar de kunst, dan blijft de ene en enige vraag (voor Plato): 'wat is waarheid?' onbeantwoord. De kunst heeft zelfs geen onderscheiden waarde. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Aristoteles, die naast het theoretische en het praktische weten ook een dichterlijk, poëtisch weten onderscheidt (vgl. de bijdrage van J. van Rijen). Onder het gezichtspunt van de waarheid zijn alle kunstwerken waardeloos, zij geven slechts ongezond voedsel aan de zinnen, niet aan de rede. Plato's afwijzing van de kunst berust niet alleen op ontologische, maar ook op morele overwegingen (waarbij er nogmaals op moet worden gewezen dat ontologie en ethiek bij Plato samenvallen). In een radicaal of / of plaatst Plato tegenover de mens van de 'zwijnenstaat' die een normloos bestaan leidt in een leven van ongeremde materiële uitbuiting en lichamelijke uitspatting, de filosofische mens. Het gaat hier om een resolute keuze, om een radicaal of / of; door de totalitaire pretentie die beiden kenmerkt zijn filosofie en kunst niet tegelijk mogelijk. De kunst is een gevaarlijke mededingster van de wijsbegeerte. Zij waagt zich op alle terreinen van de filosofie: opvoeding, wetenschap enzovoorts.

Al in het vroege werk benadrukt Plato dat de kunst berust op volksbedrog (Gorgias 502), bovendien maakt zij lui (Meno 81d). De kunsten ondermijnen de jeugd, suggereren iets dat er niet is en zijn daarom te vergelijken met de cosmetica (Gorgias 463 b). De dichter, de schilder, de musicus en de sofist hebben vooral dit gemeen: hun principe is te 'behagen', te beantwoorden aan de smaak van het volk, bij wie het genot vóór de rede komt. Vol minachting schetst Plato de praktijk op de toernooien; telkens triomfeert hetgeen het meeste genot verschaft en het meest opvrolijkt. De een houdt van een rapsode, een ander verkiest een lied met citer-begeleiding, een derde bevalt het treurspel het best en weer een ander zegt: voor mij het poppenspel. Kleine kinderen zullen de marionetten-speler tot overwinnaar uitroepen, grote kinderen het blijspel; beschaafde dames de tragedie die zij nooit vermochten te beleven, terwijl grijsaards hun aderverkalking zullen bestrijden met een rapsode die in schaars linnen een staaltje Homerus voordraagt. Het volk vergaapt zich aan de schijn; het raakt gefascineerd door het lage en gemene. De toeschouwer ziet liederlijke figuren en gedragingen die hij in zijn eigen bestaan niet zou wensen of dulden. Waar Plato een bijzondere hekel aan had, waren mannen die vrouwen uitbeelden, in het bijzonder vrouwen in barensnood (en daar zit natuurlijk iets in). Ook het uitbeelden van een ziekte moet verboden worden evenals het uitbeelden van slaven, van scheldende of dronken lieden en van krankzinnigen (je vraagt je af wat er voor de bühne overblijft). Verboden wordt bovendien het uitbeelden van hinnikkende paarden, loeiende stieren, bruisende rivieren, de klotsende zee en de donder.

De kunst moet dan ook onder curatele worden gesteld (Staat 377b-c). Zij leidt af van de ware weg. Plato keert zich bijzonder fel tegen bepaalde vormen van muziek, met name de muziek die op kunstmatige wijze stemmingen wekt en - in een formulering aan Homerus ontleend - van mannen 'weke krijgers' maakt (Staat 411a-b). Dergelijke muziek heeft een verlammende werking; zij leidt ons af van de taak een betere wereld te ontwerpen en laat ons wegdrijven van onszelf. Ook de tragedie moet het ontgelden; zij is als een 'boze droom'. Het leed van anderen aanschouwen verheft niet. De crisis van de helden is een schijncrisis en leidt slechts af van de zaak waarvoor wij in het echte leven staan. (Wetten 817a-c). Van een mogelijke leerzame of louterende werking is dus volgens Plato, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Aristoteles, geen sprake.

Op het toneel is slechts plaats voor fatsoenlijke mensen die fatsoenlijke mensen uitbeelden. 'Schoon' is uitsluitend de uitbeelding van het moreel voortreffelijke (Wetten 654b-c). Beslissend voor de waarde van de kunst is de correcte weergave van moreel voortreffelijke modellen (Wetten 660a). Kunst in eigenlijke zin is niets dan de zintuigelijke manifestatie van menselijke deugd (aretè). De kunst in de Ideale Staat mag onder nadrukkelijk voorbehoud aangenaam zijn, maar moet beslist nuttig en opvoedend zijn (Staat X 607d-e). Beslissend is de ophelia, het morele heil dat wordt gesticht, en niet het genot, de hèdonè (Hippias 2). Primair is de juiste maat en proportie (Philebus 64e, Timaeus 87 c-d). Slechts onder strak toezicht is er plaats voor de kunsten, zoals rustige harmonieuze muziek (Wetten, 656c-657a), borduren en het verhalen van moreel voortreffelijke mensen. Het is louter om deze reden dat de kunstzinnige schoonheid in de dialoog Philebus is opgenomen in de opsomming van de gedaanten van het Goede (Philebus 66 a-b; vgl. ook Sofistes 228b). Een en ander culmineert in een sterk 'frustrerend' pleidooi voor de juiste weergave. Zo is elke disproportie (overdrijving, understatement of parodie) uit den boze. De kunst moet zo radicaal 'mimetisch' zijn als maar mogelijk is. Plato trekt van leer tegen het vervaardigen van te grote of te kleine standbeelden; hij veroordeelt elke optische schijn of illusie en propageert dat alle beelden polychroom moeten zijn. Ook mogen de verschillende elementen van het kunstwerk niet overheersen. Plato benadrukt de relationele waarde van de elementen: tekst, ritme, harmonie, lichaamsbeweging; allen dragen op eigen wijze bij aan de juiste nabootsing van het zedelijk schone model (Wetten 670b-c). Daarbij kritiseert hij bijvoorbeeld de verzelfstandiging van instrumentele muziek. De inhoud raakt zoek en men verliest zich in louter virtuositeit (aptasia) (Wetten 669e-670a).

 

8. 'Afscheid' van de kunst

In de Wetten laat Plato de denkbeeldige stichters van de Ideale Staat, de staat die zoveel mogelijk beantwoordt aan de Ideeën, discussiëren met een groep tragediedichters, die verzoeken in die staat hun 'kunsten te vertonen'. De wetgevers verzekeren de dichters dat dezen volstrekt overbodig zijn: "Wij schrijven zelf de mooiste en best denkbare tragedies. In feite is onze hele staatsregeling een literair werk, waarin het beste en meest waardevolle leven uitgebeeld wordt, en dat is volgens ons een tekst waarin de werkelijkheid pas echt recht wordt gedaan" (Wetten 817a-c). Wanneer milde critici beweren dat de deur in Plato's Staat op een kier blijft staan, omdat er een voorwaardelijk bestaansrecht is voor die kunsten, welke niet alleen aangenaam maar vóór alles nuttig zijn (zie ook Staat 607), mogen wij niet vergeten dat er slechts ruimte is voor 'staatskunst', zoals in later tijden in de marxistische esthetica zou worden gepropageerd.

 

9. De stijlen van Plato: De kunst van het afwijzen van de kunst

Hiermee is het verhaal nog niet af. Er is een probleem dat Plato al schrijvend niet heeft opgelost, maar dat hij juist al schrijvend in de wereld heeft gebracht. De Plato-literatuur kent een uitzonderlijk thema: de "Ongeschreven Leer". Deze zou Plato, zoals onder meer door Aristoteles is overgeleverd, in een verloren gegaan college aan de orde hebben gesteld. Een van de oogmerken van de Ongeschreven Leer is de articulatie van de Ideeënleer in getallen. Het opmerkelijke van de Ongeschreven Leer bestaat nu niet in de laatste plaats hierin, dat Plato zijn 'eigenlijke' theorie nooit op schrift heeft gesteld. Wat deze Leer zo fascinerend maakt, is dat het hier niet zozeer om een ongeschreven als wel om een niet te schrijven Leer gaat, om een leer die het ondermaanse denken niet vermag te articuleren. Het is de geviseerde, maar onverwoordbare Leer. Plato's filosoferen is wezenlijk steeds de 'benadering' van de Ongeschreven Leer. Tenslotte is ook de Ideale Staat een niet bestaande staat; het is een visioen, een 'gedachte', geen Idee. Saillant in deze is Plato's poging de Ideale Staat te verwezenlijken aan het hof van Dionysius in Syracuse, een onderneming waarbij de grote opvoeder in boeien op de slavenmarkt belandde, waar hij door een dankbare leerling werd vrijgekocht. Evenals de kunstenaar vertelt ook Plato een verhaal. Hij kan niet anders, want het ondermaanse is als zodanig de wereld van de schijn en ook de hoogste muze voltrekt zich noodzakelijk in relatieve duisternis. "De goden filosoferen niet", merkt Plato dan ook veelzeggend op....

Deze overwegingen werpen ook een licht op de beoordeling van Plato in de handboeken van de westerse cultuurgeschiedenis, waarin zijn werk wordt beschouwd als de derde grote gedaante van het Griekse genie (naast Homerus en de tragediedichters). Plato's genie zou niet alleen schuilen in zijn systematische geest, maar ook en niet in de laatste plaats in de stijl van zijn werk. Hoe belangrijk, zo luidt de afsluitende vraag van dit essay, is Plato's stijl, hoe belangrijk is Plato als schrijver? Bij deze vraag staat bepaald meer op het spel dan de vraag of in de Plato-lectuur aan de literaire levendigheid van Plato's denken wel recht wordt gedaan. Plato drukt zich uit in een keur van literaire figuren. De dialoog kan als zodanig worden beschouwd als een literaire figuur. Het is geen verslag of betoog van historische of wetenschappelijke aard. Hoewel niet 'in verzen' gesteld vertoont Plato's werk een fundamentele gelijkenis met de door hem zo gewraakte poëzie. Dan is daar het verhaal (Plato is afwezig en vertelt; bijvoorbeeld over Socrates' dood, waarbij hij niet aanwezig was). Ook de ten tonele gevoerde Socrates is in zekere zin een 'fictieve' figuur. Er lijkt een forse discrepantie te bestaan tussen de 'historische Socrates' (hoe duister die op zijn beurt ook is!) en Plato's held; met name in de latere werken verschijnt een meer en meer 'platoonse' Socrates. Hij drinkt steeds minder en denkt steeds dieper na. Dan zijn er de mythen die Plato vertelt, die om meer dan illustratieve, dus om meer dan didactische en stylistische redenen worden ingevoerd. De eerder genoemde zielenmythe en de mythe van het ontstaan van het heelal hebben nadrukkelijk ontologische pretenties. Ook kennen de dialogen een spel met citaten die soms heel verschillend fungeren. En dan is daar de allegorie, bijvoorbeeld in de gelijkenis van de grot (Staat, Boek VII) waarin wordt verteld hoe de mens uit de wereld van schaduwen naar de wereld van het licht van de Ideeën vermag op te klimmen.

Dit zijn geen stijlbloemen, het zijn stijlruikers. Zijn wij ten aanzien van Plato niet bijna verplicht te spreken van "de kunst van het afwijzen van de kunst"? Natuurlijk valt op deze stelling een en ander af te dingen. De dialoog zou als meer dan een stijlfiguur kunnen worden opgevat. Zij toont de beweging van het eigenlijke denken, het op weg zijn van het vragende denken, een oefening in denken; een proeve die niet gelezen kan worden en ter kennisgeving worden aangenomen, maar levend-denkend moet worden mee-voltrokken. Veel van de dialogen hebben echter een aporetisch einde. De 'maieutiek' of verloskunde die in de dialogen wordt beoefend is vóór alles een proeve van het over en weer opwekken van de 'weëen' van de waarheid. De filosofie zelf is een tastend zoeken naar de werkelijke werkelijkheid. Het is veelzeggend dat dit tasten en zoeken, dit nooit klaar zijn, Plato zelfs naar een vergelijking met de kunstenaar doet grijpen: de filosoof, zo schrijft hij, is net als de schilder nooit klaar en nooit tevreden: zijn weg is een zoekend vragen. De filosofie is vóór alles een 'oefening' in vragen. Bij de school makende opvatting van Plato als eerste grote metafysicus moeten wij bedenken dat Plato geen platonist was, zoals Gadamer opmerkt.

Er liggen diepe voren met bruisend stromend water in de grote waterscheiding die Plato tussen filosofie en kunst meende te hebben aangebracht. Plato's afwijzing van de kunst is doortrokken van kunstgrepen in de mooiste zin van het woord. Dat de kunst waartegen Plato zich keert vaak een karikatuur van de kunst is: de kunst van smartlap en plat vermaak, waarbij de kunstenaar verschijnt als een praal- en behaagzieke figuur mag niet misleiden. Wat een radicale afrekening lijkt, blijkt een uiterst gecompliceerde uiteenzetting van domeinen die zich eigenlijk niet uit-een laten zetten.....

 

 

LITERATUUR

Gadamer, H.G., "Plato und die Dichter" (1934), in: Gesammelte Werke, Bd. V, Tübingen 1985, p. 189- 212.

Mertens, J., "De artistieke mimèsis bij Plato", in: Tijdschrift voor Filosofie, 43 (1981), p. 642-698.

Strycker, E. de, De Kunst van het Gesprek. Wat waren de dialogen van Plato?. Antwerpen 1976.

Verhoeven, C., Het medium van de waarheid. Beschouwingen over Plato's houding tegenover de poëzie. Baarn 1988.

 

 



Het CFK onderhoudt samenwerkingsverbanden met:
 
Philosophy of Information and Communication Technology International Association for Philosophy and Literature Witte de With Centrum Beeldende Kunst V2_ International Association for Aesthetics Maai Aan/Uitgevers


 
CFK
 under deconstruction
page-top