Centrum Filosofie en KunstCFK Uitgaves
CFK VoorgeschiedenisCFK OntwikkelingsstrategieenCFK HOMECFK Symposia
CFK LezingenCFK UitgavesCFK webZineOnderwijsKunstenCFK Workshopsmedewerkers
 <- CFK.SUBURLS

 

IN DE REEKS Rotterdamse Filosofische Studies; Filosofie en Kunst 1:

RFS14:Van Plato tot Nietzsche: acht inleidingen in de esthetica
H.A.F. Oosterling & A.W. Prins (red.)


BALANCEREN TUSSEN FILOSOFIE EN KUNST
Nietzsches fysiologie van de esthetiek

Henk Oosterling

 

Bedwelmd door de muzikale romantiek van Richard Wagner en in de ban van Delacroixs heidense verbeeldingswereld schrijft de 27-jarige Friedrich Nietzsche in zijn eerste boek De geboorte van de tragedie uit de geest van de muziek (1872):

"Het dionysische (...) wordt ons nog het meest nabij gebracht door de analogie met de roes. Hetzij door de invloed van narcotische dranken (...) of ook bij het naderen van de lente".(GT 34)

Een kleine tien jaar later blijkt hij in Morgenrood (1880/1) een geheel andere mening toegedaan en sneert hij:

"De roes geldt voor (de mensen der verheven en vervoerde ogenblikken) als het ware leven, als het eigenlijke ik; (...) Aan deze dweperige drinkeboers heeft de mensheid veel kwaad te danken".(MR 46)

De toon voor de daaropvolgende tekst De vrolijke wetenschap (1881/2) is gezet. Nietzsche schampert verder:

"De sterkste gedachten en hartstochten ten overstaan van diegenen, die tot denken en hartstochten niet in staat zijn - alleen tot de roes. (...) Theater en muziek als het hasjiesj roken en betel kauwen der Europeanen! O, wie vertelt ons de volledige geschiedenis van de narcotica! - Het is bijna dezelfde als de geschiedenis van de 'beschaving', van de zogenaamde hogere beschaving".(VW 99)

Maar in Aldus sprak Zarathustra (1883/4) spreekt deze profetische gestalte zijn afgrondelijke wijsheid toch weer uit in 'Het dronken lied', de op een na laatste paragraaf. In zijn laatste samenhangende werk Afgodenschemering (1889) tenslotte, met de ondertitel "hoe men met de hamer filosofeert", dat vlak na de heruitgave van zijn eersteling verschijnt en even vóór zijn eigen definitieve roes - de waanzin - hem in 1889 toevalt, is er sprake van een definitieve herwaardering. In verband met de 'psychologie van de kunstenaar' merkt Nietzsche op dat er,

"opdat er kunst is, opdat er een bepaald esthetisch doen en kijken is, één fysiologische voorwaarde onontkoombaar is: de roes"(AS 155).

Dat Nietzsche een typische exponent van de romantiek is en dat zijn inzichten over een esthetica derhalve voor een goed deel aan Schellings denken schatplichtig blijven, behoeft geen toelichting. Zijn verheerlijking voor de architect van de moderne geschiedenis, Napoleon Bonaparte, getuigt eveneens van een romantische verering van het genie. Dit is de goddelijke vonk, die hij uit de smeulende resten van de brandstapel redt, waarop zijn God de dood heeft gevonden. Maar tenslotte laat Nietzsche ook dit erfstuk van de romantiek achter zich. Met zijn kunstfilosofische beschouwingen baant hij de weg voor een 20e eeuwse esthetica waarin meer dan de kunstenaar het kunstwerk met zijn geschiedenis en zijn materialiteit als een autonome tekentaal op de voorgrond treedt.

Hoe krijgen we greep op en begrip van de verbrokkelde veelheid van elkaar tegensprekende passages over de aard van de kunst, die we in dit grotendeels aforistische werk tegenkomen? Op grond van welk criterium brengen we orde op zaken in dit doolhof van stilistische en aforistische hoogstandjes? Laten we daartoe eerst eens nagaan welke de in deze cyclus behandelde denkers en thematieken zich in Nietzsches denken aandienen. Schopenhauer neemt een belangrijke plaats in. Kants esthetica leest Nietzsche vanuit een Schopenhaueriaans perspectief. Aanvankelijk verbindt hij diens visie op de louterende functie van de muziek met de muziektheoretische uitgangspunten van Richard Wagner. Met een gemanipuleerde interpretatie van het Aristotelische katharsisbegrip poogt hij Plato's degradatie van de schijn teniet te doen.

Vervolgens zet hij zich tegen Schopenhauer en Wagner af. Deze negatieve kritiek, waarin een nogal 'positivistische' Nietzsche verschijnt, wordt tenslotte in het werk vanaf 1881/2 bij het verschijnen van De vrolijke wetenschap tot een complex van eigen denkbeelden omgesmeed. Begrippen als 'Wil tot Macht', 'Übermensch' en 'Eeuwige Terugkeer' zijn daar het resultaat van. Ik wil aantonen, dat en hoe Nietzsches esthetische uiteenzettingen in deze duistere en dreigende gedachten doorwerken. Hoe met andere woorden zijn esthetica, die hij uiteindelijk op een fysiologische leest schoeit, zijn hele denkontwikkeling heeft bepaald.

Naar beproefd dialectisch recept laat ik het hele oeuvre daartoe in drie periodes uiteenvallen: in de eerste, waarin zijn boek De geboorte van de tragedie de toon zet, ontwikkelt de jonge, slaapdronken Nietzsche een nog sterk metafysisch getinte esthetische theorie, een 'artiestenmetafysica'. In de tweede zet hij zich ontnuchterd tegen deze verkapte Schopenhaueriaanse zijnsleer af en transponeert hij vervolgens zijn esthetische inzichten naar zijn eigen filosofische praktijk, waardoor het waarheidsbegrip volledig wordt opgelost en de taal als grote bedriegster optreedt. Dientengevolge moet hij in zijn zelfkritiek op zijn eerste boek, die bij de in 1886 verschenen heruitgave toegevoegd wordt zijn vroegere inzichten als 'kunstenaarsmetafysica' verwerpen, maar kan hij door zijn groeiende aandacht voor de bepalende rol van het lijf zijn ideeën over de roes rehabiliteren. In de derde periode tenslotte wordt naar mijn mening vanuit deze fysiologie een denken ontwikkeld, waarin filosofie en kunst elkaar wederzijds inspireren.

 

1. Apollinisch schijnen van het dionysische zijn

Beroepshalve is Nietzsche geen filosoof, maar filoloog. Hij houdt zich aanvankelijk bezig met de analyse en duiding van Griekse en Latijnse teksten. In zijn lezing en herlezing van deze klassieke teksten wortelen zowel zijn verering voor de antieke cultuur als zijn inzichten in de retorische aard van de taal en haar grammatica. Passie voor het pianospel en een verontrustende kennismaking met Schopenhauers werk richten de aandacht van de jonge Nietzsche op het belang van de muziek. De onvrede met zijn eigen cultuur, een cultuurpessimisme dat hij met Schopenhauer deelt, roept dan ook haast vanzelfsprekend een nostalgische verlangen naar een zuivere antieke cultuur op. Deze nostalgie mondt gaandeweg uit in een meedogenloze kritiek op de door hem als decadent en bloedeloos ervaren christelijk-burgerlijke cultuur, waarin geen plaats meer is voor een hartstochtelijke gemeenschapservaring. Als rechtgeaard modern denker meent Nietzsche aan het eind van deze negatieve ontwikkeling te staan en viseert hij reeds haar vernietiging en overwinning. In Wagners muziek, zoals deze in diens Festspiele in Bayreuth, een soort totaaltheater avant la lettre, gestalte krijgt, herkent hij een voorbode van een nieuw soort gemeenschapservaring en cultuur. Kortom, wat volgens hem ten tijde van Plato's Socrates in de volkse, geprofaniseerde tragedies van Euripides verloren is gegaan, herrijst als een feniks in Bayreuth: een overvloedig, tragisch levensgevoel, uitgedrukt in de muziek.

a. de tragedie en het tragische:

Wat verstaat Nietzsche onder 'tragisch'? In De geboorte van de tragedie geeft hij aan de door Kant in de Kritik der Urteilskraft als 'Lebensgefühl' doordachte spanning tussen lust en onlust en de daarop gebaseerde analyse van de ervaring van het verhevene een onverwachte invulling. Zijn latere cultuurkritiek krijgt hier zijn eerste aanzet in een onconventionele duiding van de klassieke tragedie van Aischylos en Sophokles, waarin muziek, dans, zang en theater nog een hechte eenheid vormen. In deze tragedie, die haar ontstaan onder andere vindt in de orfische mysteriëndiensten, waarin in orgiastische rituelen contact met mythische goden werd gezocht om in een collectief zelfverlies de diepe, maar wrede waarheid van het bestaan te ervaren, wordt deze 'barbaarse dionysische kracht' via de verbeelding tot een gemeenschappelijke ervaring van het goddelijke getransformeerd. Het lot of de ondoorzichtige wrede werkzaamheid van de goden wordt aanschouwelijk gemaakt. De voorstelling van het aardse gebeuren maakt haar wezen, het lijden, dragelijk. Of technischer: de schijn van de schijn richt zich op het zijn. De tragedies rond Oedipus zijn exemplarisch. Terwijl volgens Kant de aanblik van immense pyramides tot bulderende oceanen en imposante bergmassieven de moderne mens na deze aanvankelijk aan de ontreddering en onlust uit te hebben geleverd, vervolgens diens zelfbewustzijn door de pogingen deze immensiteiten in een idee te omvatten versterken - dat wil zeggen lust aan de onlust doen beleven - ondergingen toeschouwers en spelers in de Oudheid kortstondig vol afschuw, maar gefascineerd de aanwezigheid van het goddelijke.

Schopenhauers oerwil en voorstelling vernoemt Nietzsche naar een tweetal goden: naar Dionysos, de god van de roes, drank, extase en waanzin en naar Apollo, de lichtende, de god van de droom en de schijn. Uit hun wederzijdse bevruchting wordt de tragedie geboren. Het dionysische komt in de muziek en de dans nog het krachtigst naar voren. Beide roepen immers voorstellingen noch gedachten op, maar beroeren het lichaam onmiddellijk en zetten het aan tot dansen. Aan deze beroering dankt de tragedie haar lichtvoetigheid. Hoewel deze 'Heiterkeit' in tegenspraak lijkt met het tragische, zijn beide voor Nietzsche onlosmakelijk met elkaar verbonden. Slechts door de 'Sinnlichkeit', in welk begrip zowel het zinnelijke als het zintuiglijke doorklinkt, wordt het leven dragelijk.

Het apollinische drukt zich uit in de maskers, de gezangen en het verhaal, dat wil zeggen in alle betekenisdragende elementen. Ze structureren de dionysische chaos en maken deze als zodanig ervaarbaar. Dit structurerende element wordt door Nietzsche in navolging van Schopenhauer ook wel het principium individuationis of het individuerende principe genoemd. Zo ontleent de aan excessieve krachten overgeleverde mens aan het apollinisch schijnen zijn identiteit en individualiteit. Toch zoekt het samenhangend ik steeds opnieuw in de dionysische roes zijn tijdelijke ontregeling. In de ex-tase wordt de individualiteit overschreden. In tegenstelling tot Kant impliceert volgens Nietzsche schoonheid geen 'belangeloze aanschouwing', maar juist een volledige betrokkenheid: dionysische wil en wil tot leven vallen samen in de tragedie.

b. zijn en schijn:

Hoe verhouden het dionysische en het apollinische zich tot elkaar, als we ze vanuit de traditionele, platonische tegenstelling tussen zijn en schijn herdefiniëren? Nietzsche lijkt zich nu eens binnen dan weer voorbij deze oppositie te begeven, als hij beweert zich gedwongen te voelen,

"de metafysische these aan te nemen, dat het waarlijk-zijnde en Oer-Ene - als het eeuwig-lijdende en conflicterende - ook altijd het extatisch visioen, de lustvolle schijn nodig heeft voor zijn verlossing"(GT 42).

De metafysische toevoeging 'waarlijk' laat zich niet zonder problemen verenigen met de noodzaak van de schijn. Nietzsche wedt blijkbaar nog op twee paarden. Hij worstelt met de traditie, wat eveneens uit het gebruik van het begrip 'verlossing' blijkt. Daarin herkennen we niet alleen Hegels 'Aufhebung', maar tevens een romantische versie van Aristoteles' katharsisbegrip. Deze ambiguïteit wordt bevestigd in de opmerking, dat in de tragedie de "dupliciteit van het Apollinische en het Dionysische (...) periodiek wordt verzoend". Eens te meer blijkt dat de schopenhaueriaanse wijn waaraan hij zich bezat nog een licht hegeliaanse afdronk heeft.

De complexe relatie tussen het dionysische en het apollinische, of concreter: tussen muziek en vertelling is er niet een van simpele nabootsing of van mimesis. Dit wordt aan de hand van een fragment uit Beethovens Pastorale geïllustreerd:

"Zelfs wanneer de toondichter in beelden over een compositie gesproken heeft, bijvoorbeeld wanneer hij een symfonie 'Pastorale' noemt, een deel daaruit 'Scène bij een beek' (...) dan zijn dat eveneens slechts voorstellingen die als een allegorie uit de muziek geboren zijn en niet dingen die door de muziek geïmiteerd worden. Deze voorstellingen kunnen ons niets leren over de dionysische inhoud van de muziek."(GT 52)

Desondanks komt deze dionysische inhoud pas tot aanschijn in de apollinische verbeelding. Haar schijnen is onvermijdelijk: slechts in de voorstelling verschijnt het excessieve leven als wil, als een gerichte complex van krachten. In tegenstelling tot de opvattingen van Kant en Hegel, die de schijn weliswaar als een noodzakelijk, maar uiteindelijk oplosbaar moment begrijpen, is de schijn bij Nietzsche definitief. Als er al iets 'achter' of 'onder' de schijn 'is' (uit al deze termen spreekt al een bepaalde metaforische oriëntatie, waar de taal ons toe dwingt), dan is dit hoogstens een achteraf negatief negatief te karakteriseren als krachtenveld, waarin de samenhang van het kensubject 'oplost':

"Wat betekent 'schijn' nu voor mij! Waarachtig niet de tegenstelling tot een of ander wezen - wat weet ik over welk wezen dan ook te vertellen, anders dan juist de predikaten van de schijn ervan! Waarachtig niet een dood masker, dat men een onbekende x zou kunnen opzetten en ook weer afnemen! Schijn is voor mij juist datgene wat werking uitoefent en leeft."(VW 75).

De openbaring van de laatste grond der dingen of de waarheid van het zijn - de eeuwige oerpijn - impliceert niet zozeer de ontmaskering van de schijn als wel de verdubbeling ervan. Om dit te illustreren verwijst Nietzsche naar Raphaels schilderij Transfiguratie:

"(Raphaels) Transfiguratie toont op de onderste helft, met de bezeten knaap, de vertwijfelde dragers, de bange en radeloze discipelen de weerspiegeling van de eeuwige oerpijn, de enige grond van de wereld. De 'schijn' is hier weerschijn van het eeuwige conflict, de vader van alle dingen. Uit deze schijn stijgt echter, als een geur van ambrozijn, een visionaire nieuwe schijnwereld op, waarvan degenen die door de eerste schijn bevangen zijn niets zien (...). Hier zien we uiterst kunstzinnig symbolisch weergegeven, de Apollinische wereld van het schone en zijn ondergrond, de vreselijke wijsheid van Silenus (een bosgod die met Dionysos wordt geassocieerd, ho). Intuïtief vatten we hoe beide noodzakelijk zijn."(GT 43)

Mochten bepaalde passages het primaat van het dionysische nog suggereren en ons derhalve ertoe verleiden Nietzsches esthetica vanuit een simpele omkering van een platonische metafysica te interpreteren - zoals bijvoorbeeld Heidegger beweert -, uit dit citaat blijkt onomstotelijk, dat daarvan geen sprake is. Nietzsche viseert iets 'voor' of 'voorbij' de tegenstelling, waar het denken in opposities juist uit voortkomt. Dit kan zelf geen begrip zijn, maar moet een 'ervaring' zijn. Welnu, Nietzsches filosofische probleem ligt erin deze onbegrijpelijke ervaring desondanks in een filosofische, dus begrippelijke taal ter sprake te brengen.

c. lijden en de moraal:

"De eeuwige oerpijn is de enige grond van de wereld" of: het leven is lijden. Deze waarheid heeft Nietzsche zich allereerst vanuit zijn protestante opvoeding en vervolgens via Schopenhauers verwerking van het boeddhisme eigen gemaakt. Zijn specifieke waardering van dit duistere inzicht ontleent hij echter aan een mythische wereld, die bestierd wordt door wellustige goden. De Griekse mens weet, dat de greep die hij op en het begrip dat hij van zijn handelen heeft betrekkelijk is. Alles tekent zich af tegen een voorzienigheid, een (nood)lot waarvan de logica hem per definitie ontgaat. In de Oedipustragedie gaat het daarom niet om de oprechte intenties van Oedipus, maar om een belast verleden en een 'list' van het noodlot. Tragiek is bij Nietzsche derhalve geen psychologisch, maar veeleer een ontologisch gegeven: het is de grondstructuur van het excessieve leven, van de dionysische wil. In de latere zelfkritiek op De geboorte van de tragedie wordt dan ook over "de nood van de volheid, van de overvolheid, van het lijden van de in hem samengebalde tegenstellingen"(GT 24) gesproken. Lijden komt blijkbaar niet voort uit een gebrek van individuen, maar uit de volheid van het leven zelf. Het leven roept weerstanden in zichzelf op om zich aan de overwinning ervan te sterken. In die zin is het lijden onlosmakelijk met het leven verbonden.

Op dit punt openbaart zich de eerste dissonant in Nietzsche's duet met Schopenhauer. Meende deze dat ons in de muziek een tijdelijke verlossing van het lijden is vergund, Nietzsche verwerpt, ondanks zijn ambigue taalgebruik deze verlossingsgedachte: in de tragedie wordt de volheid waaruit het lijden ontstaat, niet opgeheven, maar bevestigd of geaffirmeerd. Met dit inzicht laat hij tevens Aristoteles achter zich. In de tragedie gaat het er niet om, zoals het in Afgodenschemering heet:

"van verschrikking en medelijden los te komen, niet om zich van een gevaarlijk affect te zuiveren door de vehemente ontlading ervan - zo verstond Aristoteles het -; maar om, boven de verschrikking en medelijden uit, de eeuwige lust van het worden zelf te zijn - die ene lust die ook de lust tot vernietigen in zich sluit" (AS 239).

De scheppende mens heeft zijn noodlot, waarin zelfbevestiging en zelfoverwinning samengaan, lief: als amor fati keert deze gedachte in Nietzsche's latere werk terug.

De scheppende mens esthetiseert juist zijn lijden. De radicaliteit en voor vele onaanvaardbare consequentie van deze visie is, dat het leed zijn waarde en niet zijn zin aan deze esthetisering ontleent. Dit inzicht vat Nietzsche samen in de cryptische uitspraak, dat "het bestaan en de wereld alleen als esthetisch fenomeen eeuwig gerechtvaardigd zijn" (GT 140) en dat "als esthetisch fenomeen het bestaan voor ons nog altijd verdraaglijk is" (VW 115). Het leven bereikt in de tragedie dus zijn hoogste vorm. Het leed lost er niet in op, maar wordt gedragen en gevierd:

"Wij moeten ook boven de moraal kunnen staan: en niet alleen staan, met de angstvallige stijfheid van iemand, die elk moment vreest uit te glijden en ten val te komen, maar ook boven haar zweven en spelen! En hoe zouden we daartoe de kunst, hoe zouden we daartoe de nar kunnen ontberen?"(VW 115).

De opvatting, dat rechtvaardigheid een normatieve principe is op grond waarvan leed verminderd of gelijkelijk verdeeld kan worden, wordt verworpen. Daarmee wijst Nietzsche tevens de christelijke moraal als laatste toetssteen van het lijden af. Binnen de christelijke leer wordt dit immers altijd als een straf voor de begane zonde of als een ascetische investering in een betere toekomst gezien: lijden loutert. De tragische ervaring wordt hiermee afgewezen, een dialectisch verzoening en zingeving omarmd. Lijden als zodanig is voor de mens nooit een probleem geweest. Dat was er gewoon. Veeleer is het de zinloosheid ervan die hij te vuur en te zwaard heeft bestreden.

Plato's inzichten worden onverkort in het christendom geïncorporeerd. In zijn bestrijding van de 'immorele' sofisten bevoorrecht Plato in de figuur van Socrates een op deugdzaamheid en waarheid gerichte dialectiek. Zijn veroordeling van de schijn ten gunste van een bovenwereldse werkelijkheid, zijn verkiezing van de waarheid boven de schoonheid en zijn stelling dat kennis noodzakelijk een deugdzaam leven impliceert, zet volgens Nietzsche een misplaatste moralisering van het lijden in gang. De constitutieve tegenstelling in De geboorte van de tragedie is dus niet die tussen het apollinische en het dionysische, maar die tussen Dionysos en Socrates.

Een grootse, affirmatieve houding - een voorname of herenmoraal - die eigen was aan de jonge Griekse cultuur, gaat ten onder. Het pre-socratische goede, dat zich als een overdadige, affirmatieve daadkracht van de voorname mens toont, getuigt nog van de volheid van zijn 'wil' en drukt zich uit als een onomstreden waarde, dat wil zeggen: als macht. In de affirmatie van het leven wordt de levenswil van de voorname een positieve, actieve waarde waar anderen, de 'slechten' of de massa zich noodgedwongen naar richt. De voornamen of heren zijn zij die "de dingen hun naam geven". In die zin is de affirmatie van de overvloed van het leven scheppend: zij geeft zin en richting aan de gebeurtenissen.

Deze herenmoraal met haar tragische vrolijkheid wordt ten tijde van Socrates en Euripides, in een zich tegen de aristocratie afzettende democratische stadstaat, uitgehold.

"Terwijl iedere voorname moraal ontstaat uit een triomferend ja zeggen tegen zichzelf, zegt de slavenmoraal al bij voorbaat neen tegen een 'buiten', een 'anders', een 'niet-zelf'. (...) De slavenmoral heeft, wil zij kunnen ontstaan, altijd eerst een tegen- en buitenwereld nodig, zij heeft fysiologisch gesproken uiterlijke prikkels nodig om hoe dan ook te kunnen ageren - haar actie is totaal reactief."(GM 32)

Het voormalig goede met haar scheppende daadkracht wordt door een 'Umwertung' het kwaad, waarvan de ontkenning in een louterende ascese vervolgens tot een positieve identiteit wordt omgesmeed: het christelijk 'subject' kan zich slechts in zijn negatieve, door wraaklust bepaalde omgang met zonde en lusten als moreel subject constitueren. Het goede is in die zin het reactieve negatief van het kwade:

"Hij heeft de 'kwade vijand' geconcipieerd, 'de kwade', en wel als grondbegrip van waaruit hij nu ook nog als kopie en tegenhanger een 'goede' fabriceert - hijzelf. (...) Precies omgekeerd dus als bij de voorname die het grondbegrip 'goed' van tevoren en spontaan, vanuit zichzelf, concipieert en zich eerst daarvan uitgaande een voorstelling van wat 'slecht' is verschaft!"(GM 35)

Zoals bij Hegel de negatie van de negatie in een positiviteit omslaat, zo wordt in de negerende activiteit van de ascese een nieuwe identiteit geproduceerd. Deze negatie impliceert een verbeten strijd tegen een lichamelijkheid en affectiviteit die steeds door geweld en de drang tot overschrijding, door extase en exces wordt gekenmerkt.

In het christendom worden de waarden omgekeerd: het voorname of goede belichaamt nu het kwade en verwerpelijke, de nederige massamens het goede. Gezien de eerdere opmerking over de ascese moet deze door ressentiment bepaalde slavenmoraal iedere actieve fundering vanuit zichzelf ontberen. Het individu vergeet zijn scheppende werkzaamheid. Door deze herwaardering of 'Umwertung' krijgt het lijden nu het karakter van een on(ver)dragelijk kwaad. Het christendom transformeert het levensaffirmerende lijden tot een op het hiernamaals gericht, dus levensontkennend medelijden. Niet het lijden, maar de waarheid ten behoeve waarvan het leed opgelost moet worden, dat wil zeggen het apollinische aspect krijgt nu de exclusieve aandacht.

Nietzsche meent, dat de christelijke mens in het medelijden wegvlucht van zijn overvloeiende hartstocht: zijn naastenliefde is slechts angst voor zijn eigen volheid. Zijn tirades tegen de christelijke ascese en haar dogmatische waarheden, alsmede zijn afwijzing van democratie en zijn pleidooi voor een aristocratische herenmoraal, een esthetische zelfverwerkelijking en tenslotte een nieuwe 'Umwertung aller Werte', al deze in aforismes getoonzette filosofische en pseudo-politieke uitspraken moeten begrepen worden tegen het licht van de eerder genoemde esthetische legitimatie van het lijden. Dit esthetisch fundament constitueert het Ik of kentheoretisch: het subject. Dit wordt als positiviteit van een negatie van de negatie door Nietzsche als een - zij het noodzakelijke - fictie gebrandmerkt.

 

2. Perspectivisme: waarheid, leugen en zinloosheid

Toch spreekt Nietzsche in de eerste druk van De geboorte van de tragedie nog steeds als filosoof over de kunst. Hij trekt nog niet de uiterste consequentie die hij in zijn later toegevoegde zelfkritiek formuleert, namelijk om "de wetenschap vanuit het perspectief van de kunstenaar te bezien, de kunst echter vanuit dat van het leven"(GT 21). In zijn eerste boek heeft hij slechts de kunst vanuit het leven bezien. In de daaropvolgende teksten geeft hij inhoud en vorm aan de eis "de wetenschap vanuit het perspectief van de kunstenaar te bezien".

a. taal als schijnbeweging: retoriek en metaforiek

Al vroeg legt Nietzsche een verband tussen taal, de beeldende kunst en de dionysische wil. Zo is de relatie tussen taal en muziek niet-mimetisch: "de taal kan daarom nooit en nergens als het orgaan en het symbool van het verschijnen, het diepste innerlijk van de muziek naar buiten brengen"(GT 53). Toch manifesteert de dionysische wil zich in de taal, hoewel deze haar niet adequaat uitdrukt. De wil tot leven maakt eveneens gebruik van de taal en haar zeggingskracht om zichzelf te versterken. Deze poëtische en retorische aspecten worden in Over waarheid en leugen in buitenmorele zin (1873) uitgewerkt. Op de vraag 'wat is waarheid?' antwoordt Nietzsche zichzelf:

"een mobiel leger metaforen, metonymia's, antropomorfismen, kortom een som van menselijke relaties, die, op poëtische of retorische wijze verheven, overgedragen en opgesierd worden, en die een volk na lang gebruik als vaststaand, canoniek en bindend voorkomen"(WL 114).

Zo wordt de metafoor tot begrip, deze talige schijnbeweging tot uitdrukking van het zijn. Als de retoriek het verschijnende 'wezen' van de taal is en de rede zich op deze taal oriënteert, dan "zijn alle retorische figuren drogredeneringen. Daar begint de rede mee" Ondanks de suggestie van het tegendeel drukken de begrippen de essentie van de dingen niet uit, maar beschrijven veeleer onze relatie ermee, dat wil zeggen onze zintuiglijke en zinnelijke betrokkenheid erop. Gegeven de oppositie waarheid-leugen kan Nietzsche daarom niets anders beogen dan "de eigenlijke leugen, de echte, resolute, 'eerlijke' leugen"(GM 150). Want als de waarheid er al is, dan is zij óf onbereikbaar, omdat ze zonder eenduidige gevolgen blijft, waaruit we haar af zouden kunnen leiden, óf een schijngestalte waartoe wij verleid worden. In het laatste geval wordt waarheid tot een retorisch effect, waarvan we het schijngehalte in de loop van de tijd vergeten zijn.

Tussen ons en de dingen bevindt zich een onoverbrugbare kloof. Ook hier biedt de esthetica uitkomst. Niet dat zij de afgrond overbrugt, zij maakt het hoogstens mogelijk dat wij een blik in de afgrond werpen,

"want tussen twee absoluut verschillende sferen zoals tussen subject en object bestaat geen causaliteit, geen juistheid, geen uitdrukking, maar is hoogstens een esthetische verhouding mogelijk."(WL 117)

We kunnen weliswaar op een werkbare manier met de dingen omgaan, maar hun 'bestaan' op zich is zinloos. Dit ontluisterende inzicht is vanzelfsprekend onleefbaar. De mens moet dus noodgedwongen het schijnkarakter vergeten: "ik ben plotseling midden in deze droom ontwaakt, doch enkel tot het bewustzijn dat ik nu eenmaal droom en dat ik verder dromen moet om niet te gronde te gaan"(VW 75). Voor Nietzsche is de mens een zelfbewuste slaapwandelaar.

De aandrift achter de waarheid, de wil tot waarheid wortelt in "die drang tot het vormen van metaforen"(WL 120). De beeldspraak, het gebruik van beelden ligt aan onze begrippelijkheid ten grondslag. Deze beelden hebben op hun beurt weer een fysiologische herkomst. Een woord is voor Nietzsche

"de afbeelding van een zenuwprikkel in klanken. (...) Eerst een zenuwprikkel overdragen op een beeld! eerste metafoor. Het beeld op zijn beurt krijgt weer vorm in een klank! tweede metafoor"(WL 112-3).

 

b. perspectivisme en de wil tot waarheid:

Lichamelijkheid, verbeelding en wil zijn dus ingrediënten van onze vermeende waarheden. De kritiek op Kants analyse van het smaakoordeel, als zou dit een 'belangeloze aanschouwing' en vooral geen overprikkeling van de zintuigen toelaten, keert terug in Nietzsches kritiek op de vermeende objectiviteit van het wetenschappelijke oordeel. Ook dit is reeds door een belang, door een wil bepaald. Achter iedere waarheid schuilt een wil tot waarheid, in het kielzog van een wil tot leven. Nogmaals, het leven gebruikt de waarheid om zichzelf te versterken. Ook de ascese, ogenschijnlijk tegen het leven gekeerd, biedt uiteindelijk een zij het reactieve versterking. De rationele geest staat dus niet tegenover het excessieve lichaam, maar is er een strategische uitdrukking van.

Nietzsche typeert begrippen als 'zuivere rede' en 'absolute geest' door de geveinsde belangeloosheid die eruit spreekt dan ook als met zichzelf in tegenspraak. Zijn these is dat "er slechts een perspectivisch zien, slechts een perspectivisch 'kennen' is"(GM 129). We staan evenmin objectief tegenover de dingen, omdat we ons er steeds reeds tussen bevinden: er is altijd al een 'inter-esse'. We worden direkt door de dingen geraakt. Ons lichaam interpreteert zijn omgeving op affectieve wijze. Zo verliest 'objectiviteit' haar waardevrije neutraliteit. Er kan hoogstens nog een strategische waarde aan toegekend worden: objectief zijn houdt dan allereerst "resolute omkeringen van de gewone perspectieven en waarderingen" in. Een 'objectieve' of vrije geest praktiseert een "anders-willen-zien"(GM 128). De wetenschapper moet zo kijken "dat men juist de verscheidenheid van perspectieven en affect-interpretaties voor de kennis produktief weet te maken"(GM 128-9).

Een vergelijking met de schilderkunst dringt zich op. Het Renaissancistische centraalperspectief zet ons onbewust in een bepaalde positie ten opzichte van de dingen. Slechts door het vergeten van deze perspectivische weergave en de materialiteit van het tweedimensionale doek kunnen we ons aan de bekoring van het 'normale' tafereel met haar illusoire diepte overgeven. Het schilderij schept door het perspectivisch verkort en door toon- en kleurcontrasten deze diepte, zoals de grammatica een 'Hinterwelt' in de gedaante vcan God, Geest en subject simuleert: stilistische trucs scheppen een eigen werkelijkheid, de gestileerde beelden doen het zijn tot aanschijn komen. Het doek gaat ergens over: een uiterlijke wereld der dingen die het representeert of de innerlijke wereld van de kunstenaar die het uitdrukt, een objectiviteit of een subjectiviteit. Deze 'Hinterwelt' is echter op de keper beschouwd louter produkt van de tekens.

Welnu, Nietzsches waarheidsbegrip ontbeert iedere Hinterwelt: er is geen onschokbaar fundament der dingen, wat ook kernachtig uitgedrukt wordt in zijn uitspraak: God is dood. Slechts door het belang of de wil die in een waarheid geïnvesteerd is, dat wil zeggen door haar perspectivische gehalte te vergeten, geloven we in haar objectiviteit. Alles is in beweging en verandert voortdurend. Alleen door de verabsolutering van de schijn of het perspectief verliezen we uit het oog dat de taal evenals het schilderij zo plat is als een dubbeltje. Dat de taal, ook de wetenschappelijke, niets dan een reeks schijnbewegingen - retoriek en poëzie - is, die ons voortdurend op het verkeerde been zetten. Uit balans geraakt tuimelen we in de val van de grammatica. We willen de oppervlakkigheid of schijn vergeten om niet te lijden aan de 'ondragelijke lichtheid van het bestaan'.

Nietzsches filosofie over de schijn en zijn positieve waardering van de oppervlakkigheid staat overigens niet op zichzelf. Elders in Europa zien we hoe zowel in de kunst als in de opkomende kunstkritiek de glorieuze opmars van de oppervlakkigheid aanvangt. De breuk met de traditie door de impressionisten getuigt, ondanks de vaak uiterst metafysische termen waarin er door hen zelf over wordt gesproken, eveneens van een wil tot schijn. Mede genspireerd door de Japanse houtsnedekunst en gedreven door een experimenteerlust met de kunst zelf - met haar materialiteit, vorm en geschiedenis - en de behoefte vat op het licht en de beweging te krijgen worden diepte en perspectief van het doek verbannen. Er is een lijn te volgen van Manets platte doeken naar het analytisch kubisme van Picasso en Braque, waar het perspectief als een verbrokkelde veelheid van allerlei verschillende perspectieven terugkeert. Het individu Nietzsche heeft weinig met deze artistieke wereld te maken. Toch mag uit zijn bewondering voor Baudelaire's werk, waarin de ideologie van de gestileerde verandering en de autonomie van de kunst zijn krachtigste verwoording vindt, tot meer dan een toevallige samenloop van omstandigheden of een oppervlakkige affiniteit worden geconcludeerd.

 

c. wil tot macht: voorbij lichaam en geest

Het lichaam met zijn affectiviteit belichaamt de dionysische oerwil. Na de destructie van de opposities zijn-schijn, waarheid-leugen en goed-kwaad verliest ook de cartesiaanse tegenstelling geest-lichaam zijn zeggingskracht. In Voorbij goed en kwaad typeert Nietzsche de wil, eerder dan als een in zichzelf besloten, zuivere, redelijke intentie, zoals Kant haar opvatte, als een complexe veelheid van krachten die op elkaar inwerken en zich ten koste van elkaar versterken. Iedere kracht 'wil' zich aan andere voeden om zich te intensiveren, om zijn spanning tot excessieve hoogten te voeren: "vóór alles wil iets levends zijn kracht ventileren - het leven zelf is wil tot macht"(VGK 22). Het dionysische wordt nu een spanningsverhouding tussen 'bevelende' en 'gehoorzamende' krachten: wil tot macht. De autonome wil blijkt door z'n zelfsplijtende werking eerst en voor alles een compexiteit van elkaar weerstrevende 'willen' te zijn.

In een kritiek op Kant typeert Nietzsche de verhouding tussen de veelheid van willen die in ons lichaam huist en de identiteit van een Ik, dat onze naam draagt, als volgt:

"'Vrijheid van de wil' is een term voor een veelvoudige lusttoestand van de willende die beveelt en zich tegelijkertijd met de uitvoerende vereenzelvigt. (...) De willende voegt op die wijze de lustgevoelens van de uitvoerende, succesrijke instrumenten, van de dienstbare 'subwillen' of 'subzielen' - ons lijf (Leib) is immers slechts een maatschappelijke structuur van vele zielen - bij zijn lustgevoelens als bevelende."(VGK 28)

Uit het citaat blijkt allereerst dat de 'autonome wil' een veelheid van heteronome bepalingen is: "ons lijf is immers slechts een maatschappelijke structuur van vele zielen"(VGK 28). De schijngestalte van deze veelheid is de ziel of het ik. Dit is nooit een oorzaak: "L'effet c'est moi" (VGK 28). Wat overigens niet betekent, dat de fictie 'ziel' niet meer gebruikt kan worden:

"begrippen als 'sterfelijke ziel', 'ziel als subject-veelvuldigheid' en ziel als maatschappijstructuur van aandriften en affecten' zullen voortaan in de wetenschap burgerrecht genieten."(VGK 22)

De werking van de rede verdwijnt evenmin. Ze wordt alleen onttroond en elders gesitueerd. In Aldus sprak Zarathustra benadrukt Nietzsche in 'Van de lijfverachters' dat "ziel slechts een woord is voor een iets aan het lijf"(ASZ 41). Blijkbaar identificeert hij de wil met het lichaam (Körper) noch het Ik, maar met het lijf (Leib). De geest, 'het kleine verstand', staat altijd ten dienste van het lijf of 'het grote verstand': subjectiviteit 'grondt' in affectiviteit. Het lijf of ook wel: het Zelf is "een veelheid met zin, een oorlog en een vrede, een kudde en een herder"(ASZ 41/2). De oppositie lichaam-geest gaat dus op in het 'begrip' lijf, dat beide omvat en als dynamisch krachtenveld geen Ik zegt, maar "ik doet"(ASZ 42).

De veelheid van zielen bevelen en gehoorzamen afwisselend. Dat wil zeggen dat Nietzsches heren en slaven geen personen, maar krachten zijn, die zowel in als tussen personen op elkaar inwerken. In ons huist daarom zowel een slaven- als een herenmoraal. Het Ik is slaaf en heer, slechtoffer, beul en rechter tegelijk. Eens te meer blijkt hieruit dat politieke extrapolaties, zoals deze door het nationaal-socialisme werden gemaakt, te simpel en uiterst mystificerend zijn.

De wil tot macht wordt dan ook niet verpersoonlijkt door een machtsbelust, sadistisch individu. Het is een krachtenspel dat zich in gedragingen van individuen, in hun taal, in al hun culturele activiteiten en produkten manifesteert. Zij is echter niet tot deze uitdrukkingen te herleiden. Voor een inzicht in deze wending moet een onderscheid gemaakt worden tussen macht en kracht. Bovendien moet in herinnering geroepen worden, dat pas het apollinische het dionysische als een gerichte wil laat verschijnen. In hun actieve presentie scheppen door overvloed gestuurde krachten louter door hun daadkracht iets, dat door minder daadkrachtigen als geldende waarde wordt ervaren. Pas in het volgzame gedrag van de laatsten openbaart de wil zich als macht, als een waardenscheppende gerichtheid. De doelgerichtheid die gesuggereerd wordt door het 'tot' is dus opnieuw schijn. Er is geen keuze, de zelfversterking van de wil is macht. Heideggers typering van de wil tot macht als wil tot wil is in zoverre correct, dat hij hiermee de kern van de wilsactiviteit raakt. Het willen eigent zich alles toe, intensiveert zich ten koste van alles. Uiteindelijk zelfs ten koste van zichzelf: tenslotte verliest en overwint ze zichzelf. Zodra ze tot macht is geworden, roept ze in zichzelf verzet op. In Aldus sprak Zarathustra wordt in 'Van de zelfoverwinning' ten aanzien van de wil tot macht opgemerkt: "Zie, zo sprak het, ik ben dat, wat altijd zichzelf te boven moet komen"(ASZ 99). Zelfbehoud én zelfverlies liggen in elkaars verlengde. De extatische roes verbindt beide momenten.

 

3. Fysiologie van de esthetica: kunstgenieter, kunstenaar, kunstwerk

Geleidelijkaan worden de contouren van een fysiologische opvatting van de esthetica zichtbaar. De affectiviteit speelt een beslissende rol in zowel de produktie als de receptie van kunst. Met de gebruikelijke parodiërende toon meent Nietzsche dat de fysiologische voorwaarden van kunstgenieting vooral een goede spijsvertering en de mogelijkheid om te dansen zijn. In tegenstelling tot Kants omschrijving van het schone in termen van 'belangeloze aanschouwing' betoogt hij, dat de toeschouwer altijd lichamelijk belanghebbende is. Kants toeschouwer beschouwt de bulderende golven niet vanaf een schip, maar vanuit een goed gefundeerd duinhuisje. Naar mijn mening is het dan ook vooral Kants typering van de ervaring van het verhevene, waarin immers de spanning tussen lust en onlust zo'n belangrijke rol speelt, die Nietzsche verwerkt heeft. Toch schermt Kant de affectieve betrokkenheid van de toeschouwer af door te benadrukken, dat we de huiver ten aanzien van het verhevene, dat zelfs in de aanblik van de dood en het lelijke doorwerkt, voelen, omdat deze gestalten van het sublieme ons niet direkt raken, dat wil zeggen geen macht over ons hebben. Er is altijd sprake van een ambivalente aandoening waarin de gespletenheid van de wil tot uitdrukking komt. Maar precies op deze geïnvolveerdheid, zo mag duidelijk zijn, wil Nietzsche zijn tragische ervaring toespitsen: de mens wordt momentaan aan deze krachten blootgesteld, zijn wil valt samen met de dionysische wil. Zelfs in die mate dat hij eraan ten onder kan gaan. Vandaar dat hij Kant in Genealogie van de moraal een 'gebrek aan verfijnde zelfervaring' verwijt, omdat deze niet inziet dat de toeschouwer zijn 'onpersoonlijk en algemeen-geldig' smaakoordeel ontleent aan een

"grote persoonlijk-factische ervaring, een rijkdom aan uiterst persoonlijke, intense ervaringen, begeerten, verrassingen, verrukkingen op het gebied van de schoonheid"(GM 110).

De implicaties van deze fysiologie van de esthetica zijn verstrekkend. Niet alleen de visie op de kunstreceptie ook die op de produktie ervan krijgt een andere inhoud. De scheppende daad ontleent zijn zeggingskracht juist aan de mate, waarin de 'wil' van de kunstenaar zich aan die van het leven aanpast. Het scheppende individu - de voorname mens, de heer, het genie of de 'Einzelne' - richt zijn gedrag niet naar een van te voren vaststaande waarheid - het dogma van de Kerk, de wetenschappelijke waarheden of in dit geval: een kunsttraditie of stijl -, maar schept door zijn overvloedige daadkracht nieuwe waarden waar anderen zich naar richten. De moderne avant-garde vindt hier indirect haar eerste theoretisch uitdrukking. De kunstenaar verandert de wereld in die zin, dat hij in zijn verbeelding van de wereld nieuwe samenhangen en zingevingen aangeeft, een nieuwe blik opent voor en vanuit nieuwe perspectieven. Zijn 'wil' wordt van waarde een waarheid, die echter altijd perspectivisch van aard is en waarachter een wil of een verlangen blijft zinderen.

Niet de traditie, maar allereerst de individualiteit van de kunstenaar - als transformatie van het geniebegrip - treedt bij Nietzsche op de voorgrond. Maar Nietzsche gaat verder en biedt voor het eerst een visie op het kunstwerk als dynamisch en autonoom gebeuren, dat zo kenmerkend zal zijn voor de moderne avantgarde. Nietzsche ziet de kunstenaar uiteindelijk als een scheppend wezen dat zichzelf telkens weer herschept:

"De mens is geen kunstenaar meer, hij is kunstwerk geworden. In de huiver van de roes openbaart zich het kunstgeweld van heel de natuur, tot de hoogste zaligheid van het oer-ene. De edelste klei, het kostbaarste marmer wordt hier gekneed en gehouwen: de mens".(GT 35)

De filosoof met de hamer moet niet alleen de Hinterwelten aan gruzelementen slaan, maar hij moet met dezelfde hamer uit het kostbaarste marmer, de mens, een nieuwe mens houwen. De destructie van de metafysica kent als tegenhanger het schetsen van de contouren van een nieuw denken. Deze 'beitelslagen van de dionysische wereldkunstenaar'(GT 35) worden pas mogelijk door de hamer van de filosoof.

Kunstenaar en kunstwerk gaan in de levensstijl in elkaar over: in die zin beoogt Nietzsches filosofie een oneindig experiment. Deze wordt in zijn affirmatie van het leven en als actieve gestalte van de wil tot macht als een continue zelfoverwinning gedacht. De affirmatie van deze noodzakelijke beweging, het willen van het lot en het daarin besloten geweld, "dit moeten-metamorfoseren in het volmaakte is - kunst"(AS 157). Gedreven door het gevoel van krachtsvermeerdering staat "het gemak van de metamorfose" gelijk met "het onvermogen niet te reageren". Dit scheppende, actieve proces vergt, hoewel het het tegendeel van een ascese is, in een affirmatie van het dionysische een tucht, waarin het individu de noodzaak van de verandering, en daarmee het lijden en het noodlot, accepteert: amor fati.

Deze continue zelfoverwinning van de scheppende mens blijkt zich dus als een aaneenrijging van schijnbewegingen te voltrekken. De onvermijdelijke perspectiviteit van de waarheid vertaalt zich vanuit de esthetische optiek in het masker waarachter, eenmaal afgerukt, telkens een nieuw masker moet verschijnen. Opnieuw vinden er ontwrichtingen van nagenoeg onwrikbare opposities plaats: "Alles wat diep is, houdt van maskers"(VGK 52). In een zoveelste poging de dialectiek van oppervlakte en diepte, van schijn en zijn te doorbreken kan Nietzsche nog slechts in paradoxen spreken.

 

4. Afgrondelijke gedachten en limietbegrippen

Dit paradoxale spreken is naar mijn mening de hoogste articulatie van de esthetische inspiratie die zijn werk vanaf begin tot eind doortrekt. Nietzsches denken uit zich in een taal die zich te bewust is van haar kunstmatig- en oppervlakkigheid. Zijn filosofie situeert hij voorbij goed en kwaad: "zedelijke theorieën zijn slechts een tekentaal van de affecten" (VGK 93). Daarmee wordt niet de noodzaak van een moraal afgewezen, maar de verabsolutering van één perspectief tot dé waarheid verworpen, want "als semiotiek is de moraal onschatbaar"(AS 121). Voorbij goed en kwaad denken betekent de uiterlijke tekens serieus nemen, zoals een abstract schilderij zonder enige verwijzing slechts te begrijpen is, als de interne dynamiek als uitgangspunt wordt genomen. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat Aldus sprak Zarathustra met een fragment eindigt met de titel: 'Het teken'. Wij beschikken slechts over tekens, niet over de erachter liggende werkelijkheid.

Toch is er een toegang tot dit zijn: de kunst, waarin de dissonantie van de werkelijheid opklinkt. Maar geldt dit ook voor het denken? Het heeft er veel van weg dat Nietzsche het lijden in de sfeer van het bewustzijn ervaarbaar maakt als de niet op te lossen spanning, waaraan het denken wordt uitgeleverd. Zoals in het eerste werk de kunst als het geëigende medium, als een 'poros' of uitweg naar de werkelijkheid wordt aangemerkt, zo treedt naar mijn mening in de latere teksten het schijnkarakter van de grammatica met al haar tegenstrijdigheden als een dergelijke toegang op. Deze onvermijdelijke schijn dient zich aan in de vorm van antinomieën, paradoxen of aporieën. Dit verklaart waarom Nietzsche als hij de werkelijkheid wil omschrijven zich doorgaans van paradoxale uitdrukkingen en aporetische wendingen bedient. De aporie - a-poros: het ontbreken van een uitweg - blijkt slechts een obstakel voor het denken dat coherentie en transparantie beoogt. De aporie als effect van de onvermijdelijke schijn is echter Nietzsches esthetische strategie bij uitstek om het lijden in de sfeer van het denken en dus de kloof tussen denken en zijn ervaarbaar te maken. Want wil hij zijn denken niet opnieuw in de metafysische opposities insluiten - en dus Heidegger in het gelijk stellen - dan kan dit slechts als hij de taal in haar eigen schijnbeweging opsluit en het denken aan de daaruit voortkomende aporieën uitlevert. Dit is wellicht een verklaring voor de vele tegenstrijdigheden die in zijn werk voorkomen.

De drie denkfiguren die Nietzsche in zijn laatste werk ontwikkelt - de gedachten van de wil tot macht, de eeuwige terugkeer en de Übermensch - blijken alle in zich en ten opzichte van elkaar door en door aporetisch. Het zijn, zoals het in Aldus sprak Zarathustra heet 'afgrondelijke gedachten'(ASZ 133), die slechts, zoals dit doorgaans in de mystiek het geval was, in paradoxen - als coincidentia oppositorum - verwoord kunnen worden. Als begrippen zijn het limietbegrippen: zodra we ze doordenken functioneren ze als een wijkende horizon, omdat ze samengesteld zijn uit elkaar weersprekende termen en deze paradoxale structuur geen definitieve bepaling toelaat.

Zo is bijvoorbeeld de Übermensch geen mens:

"De mens is een koord, geknoopt tussen dier en Übermensch, - een koord boven een afgrond. (...) Het grote in de mens is: dat hij een brug is en geen doel; wat bemind kan worden in de mens, is dat hij een overgang is en een ondergang."(ASZ 28)

De Übermensch is dat wezen waartoe en waarvanuit de mens zichzelf overstijgt. Steeds weer wordt benadrukt, dat de Übermensch nooit heeft bestaan. Hij lijkt voor alles een teken voor een scheppende levensstijl.

Ten aanzien van de wil tot macht heb ik reeds gewezen op de misplaatste finaliteit die door het 'tot' wordt gesuggereerd. Deze gedachte roept een schijn op die slechts opgeheven kan worden, zodra we de subjectsgerichte, kantiaanse invulling van het begrip 'wil' loslaten. De gedachte van de eeuwige terugkeer is nog veel complexer. Ik wil hier slechts op de paradoxaliteit van de formulering ingaan: 'eeuwig' en 'terugkeer' zijn twee begrippen die elkaar per definitie uitsluiten. Wat Nietzsche dus doet, is in deze in een limietbegrip uitgedrukte gedachte een tweetal elementen koppelen die een oppositie vormen - eeuwig/zijn versus terugkeer/verandering/schijn - waarvan de consequente doordenking óf deze oppositie ontkracht óf het denken verlamt, dat wil zeggen het rationele begrip doorbreekt en de dissonantie die de werkelijkheid buiten het denken kenmerkt, laat doorklinken.

Als Nietzsche in de laatste fase van zijn werk door middel van deze denkfiguren lijnen uitzet voor een ander denken kunnen zijn uitspraken hieromtrent, gegeven de grondaporie en het schijnkarakter van de denkbewegingen, niet als 'waar' worden aangemerkt. Maar wat is dan de status van deze in limietbegrippen geformuleerde, afgrondelijke gedachten? Hier treedt mijns inziens de esthetische inspiratie van De geboorte van de tragedie naar voren. Deze denkfiguren kunnen naar mijn mening niet anders dan vanuit een esthetische verbeeldingskracht ingegeven zijn. Deze verbeelding moet zich wel van de traditionele metafysische opposities bedienen om nog zeggingskracht - wat de waarheid vervangt - te ontwikkelen en om een cultuurdiagnostische waarde te hebben. De afgrondelijke gedachten fungeren, zoals gezegd als wijkende horizonten die niet te bereiken zijn, omdat ze geen kennis, maar extatische ervaringen betreffen, waarin met de kennis ook het kensubject ten onder moet gaan. Zij trekken de grenzen waar ons denken voortdurend naar uitstaat, maar die nooit bereikt worden, of het denken moet in platvloerse politieke trivialiteiten, zoals die van het nationaal-socialisme vervallen. Kortom, de esthetische limietbegrippen zijn waar noch onwaar, werkelijkheid noch illusie, zijn noch schijn, maar de horizon of limiet van al deze opposities. Tegenover de valkuil van de grammatica stelt Nietzsche de afgrond van zijn paradoxale verbeelding. Daarom zijn deze limietbegrippen niet de laatste horizon waar bijvoorbeeld Hegel op af stevent in de hoop de grens van het begrepen zijn te bereiken, dat wil zeggen dé systematische samenhang of dé laatste waarheid te vatten. Nietzsches limietbegrippen zijn geen sociale of politieke utopieën, die gerealiseerd kunnen worden. De horizon in zijn intellectuele landschap wijkt onophoudelijk terug, wat tot voordeel heeft dat hìj blijft inspireren en wìj blijven denken.

 

 

LITERATUUR

primair:
Nietzsche, F., De geboorte van de tragedie uit de geest der muziek. Amsterdam 1987.
?, Afgodenschemering of hoe je met de hamer filosofeert. Bussum 1983.

secundair:
Montinari, M., Friedrich Nietzsche. Eine Einführung. Berlijn/New York 1991.
Kleinrensink, G.J., (red.), De zaak Nietzsche. Nijmegen 1986.
Reuber, R., Ästhetische Lebensformen bei Nietzsche. München 1988.

 

 

 

 



Het CFK onderhoudt samenwerkingsverbanden met:
 
Philosophy of Information and Communication Technology International Association for Philosophy and Literature Witte de With Centrum Beeldende Kunst V2_ International Association for Aesthetics Maai Aan/Uitgevers


 
CFK
 under deconstruction
page-top