Centrum Filosofie en KunstCFK Uitgaves
CFK VoorgeschiedenisCFK OntwikkelingsstrategieenCFK HOMECFK Symposia
CFK LezingenCFK UitgavesCFK webZineOnderwijsKunstenCFK Workshopsmedewerkers
 <- CFK.SUBURLS

 

IN DE REEKS Rotterdamse Filosofische Studies; Filosofie en Kunst 1:

RFS14:Van Plato tot Nietzsche: acht inleidingen in de esthetica
H.A.F. Oosterling & A.W. Prins (red.)


HEGELS ESTHETICA
De lust van het raadsel

Heinz Kimmerle

 

Inleiding

"Ik ben er nu van overtuigd, dat het hoogste wat de rede kan doen, waardoor zij alle ideeën omvat een esthetische handeling is en dat waarheid en goedheid alleen in de schoonheid als zusters met elkaar verbonden zijn. De filosoof moet evenveel esthetische kracht bezitten als de dichter. De mensen zonder esthetisch gevoel zijn onze filosofen van de letter. De filosofie van de geest is een esthetische filosofie. Men kan op geen enkel gebied geest tonen, zelfs over geschiedenis kan men niet iets geestigs betogen - zonder esthetisch gevoel. Hier moet duidelijk worden, waar het eigenlijk die mensen aan ontbreekt die geen ideeën begrijpen - en trouwhartig genoeg bekennen, dat hen alles duister is, zodra het de sfeer van tabellen en registers te boven gaat.

De poëzie verkrijgt hierdoor een hogere waardigheid, zij wordt uiteindelijk weer wat zij aanvankelijk was - lerares van de mensheid; want er bestaat geen filosofie, geen geschiedenis meer, de dichtkunst alleen zal alle overige wetenschappen en kunsten overleven.

Tegelijkertijd horen we zo vaak dat de grote massa een zinnelijke religie moet hebben. Niet alleen de grote massa, ook de filosoof heeft daaraan behoefte. Monotheïsme van de rede en het hart, polytheisme van de verbeeldingskracht en de kunst, dat is wat wij nodig hebben.

Ten eerste zal ik hier over een idee spreken die voorzover ik weet nog bij niemand ooit is opgekomen - wij moeten een nieuwe mythologie hebben. Deze mythologie echter moet in dienst van de ideeën staan, zij moet een mythologie van de rede worden.

Voor we de ideeën esthetisch, dat wil zeggen mythologisch maken, zijn ze voor het volk van geen belang; en omgekeerd: voordat de mythologie redelijk is gemaakt, moet de filosoof zich ervoor schamen. Zo moeten uiteindelijk verlichte en onverlichte mensen elkaar de hand reiken, de mythologie moet filosofisch en de filosofie mythologisch worden om de filosofen zinnelijk te maken. Dan zal er eeuwige eenheid onder ons heersen. Nooit meer de verachtende blik, nooit meer het blinde sidderen van het volk voor zijn wijzen en priesters. Dan pas staat ons gelijke ontwikkeling van alle krachten te wachten van de enkeling zowel als van alle individuën. Geen kracht zal meer onderdrukt worden. Dan zal er algemene vrijheid en gelijkheid van de geesten heersen! - Een hogere geest, door de hemel gezonden, moet deze nieuwe religie onder ons stichten, zij zal het laatste, grootste werk van de mensheid zijn."

Deze tekst is geschreven door Hegel in 1797. Er heerst een strijd onder de geleerden of deze tekst werkelijk van hem afkomstig is. Zonder enige twijfel is de tekst overgeleverd in zijn handschrift. Toen het fragment in 1917 voor het eerst door Franz Rosenzweig werd gepubliceerd betoogde de redacteur dat het een tekst van Schelling was die deze aan Hegel had toegestuurd. Hegel zou deze dan voor zichzelf hebben overgeschreven. Misschien had Schelling deze tekst ook alleen aan Hölderlin of aan beide vrienden en toenmalige kamergenoten uit het Tübinger Stift, Hölderlin en Hegel, gestuurd en heeft de laatste deze overgeschreven om zelf een exemplaar in handen te hebben. Hegel zelf zou nooit beweerd kunnen hebben "dat het hoogste wat de rede kan doen, waardoor zij alle ideeën omvat, een esthetische handeling is". Tien jaar na de publicatie door Rosenzweig werd echter ook betwist dat Schelling al in 1797 zo gedacht zou hebben. De kunst als "organon" van de filosofie, dat is een gedachte die wij bij Schelling voor het eerst in zijn "Systeem van het transcendentaal idealisme" vinden, dat in 1800 is verschenen. Wilhelm Böhm heeft de stelling verdedigd dat de tekst door Hölderlin geconcipieerd moet zijn. Want alleen Hölderlin zou in deze tijd de schoonheid als hoogste eenheid gedacht kunnen hebben.

Otto Pöggeler, de directeur van het Hegel archief te Bochum, heeft uitvoerig getracht aan te tonen dat deze tekst niet alleen door Hegel is opgeschreven maar ook door Hegel is bedacht. Ik zal mij niet in deze strijd van de geleerden mengen. Het gevaar is groot dat dit soort discussies een filosofie van de letter wordt in plaats van een filosofie van de geest. De meeste sympathie heb ik voor de these van Dieter Heinrich dat deze tekst, die afkomstig is uit een wat omvangrijker stuk waarvoor reeds Rosenzweig als titel had bedacht: "Het oudste systeemprogramma van het Duitse idealisme", het resultaat is van een discussie tussen Hegel, Hölderlin en Schelling en misschien nog anderen die toen bij de vriendenkring van Hegel en Hölderlin in Frankfurt behoorden. Hegel krijgt dan de rol van verslaggever die het resultaat van de discussie heeft opgeschreven.

Hoe dat ook moge zijn: deze tekst is van Hegel en hij is niet ontstaan zonder discussies die in de jaren negentig van de 18e eeuw in de toenmalige 'Frankfurter Schule' zijn gevoerd. Ik heb de tekst hier geciteerd en de strijd over de ware auteur - overigens in zeer kort bestek - toegelicht, omdat ik zelf een heel andere stelling wil verdedigen waarvan ik ook durf te beweren dat zij "voorzover ik weet nog bij niemand ooit is opgekomen". Deze stelling luidt, dat niet de filosofie of de religie, maar de kunst het consequente hoogtepunt van Hegels denken is geweest.

Om deze stelling aannemelijk te maken zal ik in de volgende paragrafen drie lijnen uitzetten die op verschillende manieren in dezelfde richting wijzen zonder dat zij daarin uiteindelijk convergeren. Veeleer is het zo dat de twee eerste paragrafen preluderen op de derde en dat Hegels filosofie van de kunst pas daarin voldoende duidelijk uit de verf zal komen. De derde lijn zal daarom de hoofdlijn zijn om de genoemde stelling begrijpelijk en voor zover mogelijk ook aannemelijk te maken.

Ten eerste wil ik laten zien dat de ontwikkeling van Hegels denken een gebeuren is waarin zijn ideeën een proces van steeds verdergaande verdichting ondergaan. Dit proces heeft een esthetische kwaliteit. De uiteenzetting ervan zal duidelijk maken dat de filosoof inderdaad "evenveel esthetische kracht moet bezitten als de dichter". Ten tweede zal ik uitwerken dat Hegels denken op deze manier in een zekere mate raadselachtig gaat worden. Dat is de zakelijke kern van de veel gehoorde klacht dat zijn teksten moeilijk te begrijpen zijn. Dit denken blijkt echter de juiste methode te zijn om het raadsel van de kunst op te lossen. Dat zal weliswaar geen eenvoudige oplossing zijn. Want zij houdt op een volstrekt heldere wijze in dat het raadsel van de kunst voor altijd onoplosbaar zal blijven. Deze stelling zal verduidelijkt worden aan de hand van Hegels duiding van het raadsel van de Egyptische sfinx.

Door een derde lijn die de hoofdlijn zal zijn, wil ik laten zien wat volgens Hegel de werkelijkheid van het kunstwerk is. Deze werkelijkheid is de werkelijkheid van de schijn; in het kunstwerk ontmoeten wij het zinnelijke schijnen van de idee. Maar dat is niet alles. Deze ontologie houdt tevens in dat het om een bepaling van de werkelijkheid in het algemeen gaat. Dat de natuur volledig tot uitdrukking van de geest gaat worden betekent tegelijk dat de geest in de natuur opgaat. De laatst genoemde consequenties heeft Hegel zelf niet getrokken. Op dit punt heeft hij zijn programma niet uitgevoerd dat hij in 1797 (samen met Hölderlin en Schelling en andere Frankfurter vrienden) had opgesteld, namelijk dat "de filosofie van de geest een esthetische filosofie is" met als consequentie dat de "mythologie filosofisch" en de "filosofie mythologisch" moet worden. Dit verhindert ons echter niet deze consequentie alsnog te trekken en aan het programma van toen eindelijk uitvoering te geven.

 

1. De esthetische kwaliteit van Hegels denken

In de beroemde "Vorrede" van de Rechtsfilosofie zegt Hegel: "de filosofie is haar tijd in gedachten gevat". Deze omzetting van wat in de tijd leeft, het alledaagse bewustzijn en de verschillende manieren van handelen, noemt hij ook: "auf den Begriff bringen". Het gaat om een proces van verdichting in de taal. Er vindt een concentratie plaats waardoor verschillende uitdrukkingswijzen tot begrippen worden gemaakt. Op deze manier verkrijgen de woorden iets kernachtigs. De schommelingen van het alledaagse taalgebruik worden weggenomen. Daarom kan dit verdichtingsproces ook als een soort filtratie worden beschreven. Wat overblijft is de harde kern van het taalgebruik van een tijd. Hard maken betekent hierbij voor Hegel tegelijk redelijk maken, het redelijke gehalte zichtbaar maken. Redelijkheid wil dan zoveel zeggen als verdedigbaar door een omvattende context van argumenten, door uitspraken die binnen zo'n context evident te maken zijn.

Het proces van omzetting en verdichting gebeurt ook in de kunst. Alleen is het hier niet een proces dat tot begrippen leidt, maar tot andere kernachtige uitdrukkingswijzen, zowel in het medium van de taal als in andere media die uit visuele of akoestische elementen bestaan: poëzie, architectuur, sculptuur, schilderkunst en muziek. Begrippen blijven evenals de visuele en akoestische uitdrukkingswijzen in de kunst gebonden aan het materiaal van het spreken en verwijzen naar een handelen dat in een tijd gangbaar is. Hoe moeilijk dat ook soms moge zijn, de tijdgenoten kunnen begrijpen of gegrepen worden door wat in de filosofie en in de kunst wordt uitgedrukt. Het gegeven materiaal wordt bewerkt, omgezet, gefiltreerd, maar het kan nooit verdwijnen. De kunst blijft op de natuur betrokken. De zinnelijke kwaliteiten van het materiaal, de klank van de woorden, het beeld van een geschreven tekst blijven eveneens constitutief voor wat een begrip of een samenhang van begrippen betekenen. Ook al zou Hegel dat zelf graag willen, er is geen zuivere ideële betekenis van een begrip. Ook zijn Wissenschaft der Logik is in de Duitse taal van de eerste decennia van de 19e eeuw geschreven. En de betekenis van zijn begrippen blijft gebonden aan de taal van die tijd.

Dat begrippen een esthetische kwaliteit hebben, wordt vooral duidelijk als zij in een onvermijdelijke beeldspraak zijn geformuleerd die deel uitmaakt van de kernachtige uitdrukking. In de werken van Hegel komen dit soort metaforen veelvuldig voor. Ik noem een aantal voorbeelden die weliswaar bijzonder moeilijk in een andere dan de Duitse taal weer te geven zijn. In de Fenomenologie van de geest spreekt Hegel over "de deugd en de wereldloop" om het abstrakte deugdbegrip van Kant niet alleen met de levensloop van een individu, maar ook met het wereldgebeuren te confronteren. De natuurlijke zedelijkheid wordt als "het geestelijke dierenrijk" beschreven of beter gezegd "in gedachten gevat". Heel bekend is de metaforiek van meester en knecht om de verhouding tussen het zelfstandige en het onzelfstandige zelfbewustzijn uit te drukken of de beeldspraak van het "ongelukkige bewustzijn" die de toestand van het zelfbewustzijn moet beschrijven dat niet tot erkenning door een ander zelfbewustzijn kan komen.

In verband met het onderwerp van deze lezing noem ik nog twee begripsmetaforen uit de Vorlesungen über die Asthetik. De Egyptische pyramiden heten "kristallen met een innerlijk". De onveranderlijkheid en de volstrekt regelmatige vorm van het kristal die voor de dood staan, worden geconfronteerd met het innerlijk dat de vitale kracht in een lichaam is. Het doodskristal drukt zelf de onsterfelijkheid van de ziel uit. Door de bouw van de pyramides vormt de Egyptische kunst de meest adequate expressie van de architectuur. Een ander kenmerkend kunstwerk uit het oude Egypte beschrijft Hegel als "het raadsel van de sfinx". Deze beeldspraak uit de alledaagse taal kan hij onmiddellijk als een begrip gebruiken om de onbegrijpelijke eenheid van dier en mens te vatten die ons in de sfinx tegemoet treedt. Op deze metafoor en de daarin uitgedrukte onbegrijpelijkheid zal ik in de volgende paragraaf nader ingaan.

Het esthetische in Hegels denken en het metaforische in zijn filosofische taal kan ook worden toegelicht aan de hand van zijn eigen theorie van de metafoor. Het kenmerkende van de metafoor als een beeldspraak ligt hierin, dat de twee kanten van de zaak - beeld en betekenis - niet los van elkaar kunnen worden gezien. Zij vormen een onoplosbare twee-eenheid. Hierdoor houdt de metafoor het midden tussen de allegorie waarin de helderheid van de betekenis voorop staat en een raadselachtige beeldspraak die niet discursief te vertalen is. Op deze manier participeert de metafoor zowel aan de helderheid van de betekenis als ook aan de "lust van het raadsel".

 

2. Het opgeloste raadsel van de sfinx

"De werken van de Egyptische kunst in hun geheimzinnige symboliek zijn daarom raadsels: het objectieve raadsel zelf. Als het symbool van deze eigenlijke betekenis van de Egyptische geest kunnen wij de sfinx noemen. Hij is als het ware het symbool van het symbolische zelf."

De Egyptische kunst, die volgens Hegel aan het begin van de geschiedenis van de kunst staat, is volgens Hegel symbolische kunst. Symbolen zijn in zijn taalgebruik meerduidige figuurlijke uitdrukkingen. Deze meerduidigheid is niet op te heffen. Zij staat voor het blijvende raadsel en is niet beter en niet volmaakter uit te drukken dan door een wezen dat half dier en half mens is. De helderheid en éénduidigheid van de geest breekt nog niet door in de symbolische kunst.

"Uit de doffe sterkte en kracht van het dierlijke wil de menselijke geest zichzelf naar voren persen, zonder tot de volledige vormgeving van zijn eigen vrijheid en bewogen gestalte te komen, omdat hij nog gemengd en vermaatschappelijkt moet blijven met het andere van zichzelf."

Daarom is het raadsel van de Egyptische kunst voor ons en voor haar makers uiteindelijk niet op te lossen. Men zou ook kunnen zeggen dat precies dit de oplossing is van het raadsel: het is uiteindelijk niet op te lossen. In Hegels woorden: "De Egyptische symbolen blijven staan bij de strijd om het op zichzelf en voor zichzelf duidelijke." Daarmee is de historische en systematische plaats aangegeven van deze kunst. Het blijft en het moet blijven bij de strijd om duidelijkheid. De duidelijkheid zelf wordt niet bereikt. Voor de beschouwer is het juist het raadselachtige van deze kunst, dat gevoelens van lust oproept. De lust die Hegel naar haar subjectieve kant niet nader omschrijft is als een intellectueel genoegen op te vatten: het blijven zoeken naar een oplossing die men denkt te kunnen vinden, maar die er uiteindelijk toch niet is.

De duidelijkheid wordt volgens Hegel wel bereikt in de klassieke periode van de kunst: de tijd van de oude Grieken. Kunsthistorisch gesproken: de tijd van de sculptuur en van de tragedies. Het godenbeeld in de gestalte van het volmaakte menselijke lichaam is de meest adequate uitdrukking van de geest, niet alleen van de menselijke geest, maar van de geest zelf. In Hegels taal gesproken: van de absolute geest.

Deze eenheid van materie en geest is niet gemakkelijk en zeker niet voorgoed te bereiken. Vandaar dat de tragedie als aanvullende kunstvorm de antieke Griekse cultuur bepaalt. Het ideaal van de schoonheid is er wel, maar tegelijk is er een besef aanwezig van de fragiliteit van dit ideaal. Dat de kunst helder en ondubbelzinnig uitdrukt wat zij wil betekenen en dat zij als zodanig het middelpunt van de religieuze cultus en van het gehele culturele leven kan vormen, geldt alleen maar gedurende een korte periode van de geschiedenis. Uiteraard wordt volgens Hegel ook na de Griekse oudheid kunst geproduceerd. Maar deze kunst is de duidelijkheid van de klassieke periode weer kwijtgeraakt en kan daarom niet langer het middelpunt van de cultuur vormen. Zij wordt opnieuw raadselachtig. De eenheid van materie en geest, van zinnelijkheid en idee is niet vast te houden. Wat blijft is alleen het verlangen naar deze eenheid. Alle kunst na de klassieke oudheid is daarom voor Hegel romantische kunst.

De romantische kunst is minder volmaakt, minder mooi dan de klassieke, maar zij is toch hoger, omdat de drager van het verlangen is de menselijke subjectiviteit. Dit beginsel was in de Griekse oudheid nog niet op het toneel van de geschiedenis verschenen. Door de christelijke religie en de invloed die deze op de cultuurontwikkeling heeft, gaan de subjectiviteit en het lijden, de verscheurdheid een belangrijke rol in de geschiedenis spelen. Dit komt in verschillende genres op een bijzondere manier tot uitdrukking: in de schilderkunst en in de muziek en uiteindelijk in de poëzie. De poëzie is de hoogste kunstvorm, in het bijzonder het drama als presentatie van de sprekende en handelende mens.

In de ontwikkeling van de schilderkunst voltrekt zich op een gegeven moment een belangrijke overgang van de religieuze kunst naar het esthetische uitbeelden van de alledaagse werkelijkheid. Bij wijze van voorbeeld zal ik deze overgang wat nader toelichten. Hij vindt volgens Hegel op de meest bewonderenswaardige manier in de Hollandse schilderkunst van de 15e tot de 17e eeuw plaats.

"Dit meest vergankelijke, voorbijgaande te grijpen en in zijn volste levendigheid voor de aanschouwing duurzaam te maken is de moeilijke taak van de kunst op deze trede van haar ontwikkeling".

Het alledaagse leven, een bruiloft, een situatie in de kroeg of in de woonkamer van een brave burger worden onderwerpen van de kunst. Wat nauwelijks een substantile gestalte van de geest is, het toevallige en triviale krijgt een esthetische glans. Wie denkt niet aan Rembrandt bij de volgende zin uit Hegels colleges of over Esthetica:

"Van het schone wordt als het ware het schijnen als zodanig vastgehouden, en de kunst is het meesterschap in de uitdrukking van alle geheimen van het zich in zichzelf verdiepende schijnen van de uiterlijke verschijningen."

Van Eyck, Memling en Scorel wisten volgens Hegel dat de kleur als zodanig drager van de expressie is, zij wisten iets van de "magie van de kleur". Zij hadden "de glans van het goud, van het zilver, het stralen van edelstenen, zijde, fluweel, bont enz." bestudeerd en verstonden de kunst dit allemaal levensecht uit te beelden.

De overgang van de religieuze kunst naar de genre-schilderijen van de Hollandse meesters in de 17e eeuw is een belangrijke stap in de ontwikkeling van de kunst. In principe kan nu alles onderwerp van de kunst worden, alles kan het zinnelijke schijnen van de idee uitdrukken. Toch blijft dit een verschijnsel in de marge van de cultuur. Of het raadsel van de mogelijkheid van de eenheid van natuur en geest blijft bestaan of het blijft slechts bij het verlangen naar deze eenheid. De tijdelijke oplossing van dit raadsel in de klassieke Griekse beeldende kunst, die een bewustzijn heeft van haar eigen fragiliteit, voordat in dezelfde tijd de tragedie ontstaat, keert nooit meer terug. Verdere gegevens over de historische ontwikkeling van de kunst en over de systematiek van de kunstgenres zal ik hier niet aan de orde stellen. Voor de kunstfilosofie van Hegel is kenmerkend dat hij "theorie van de kunst, geschiedenis van de kunst en theorie van de verschillende kunstgenres binnen een in zichzelf samenhangende conceptie heeft gedacht". Het eerstgenoemde: de theorie van de kunst is verreweg het moeilijkste onderdeel van deze omvattende kunstfilosofie. Na het voorspel van de twee vorige paragrafen, zal ik dit nu nader uitwerken.

 

3. De werkelijkheid van de schijn

Hegels esthetica wordt vaak een esthetica van de inhoud genoemd. Inderdaad geeft hij aan door welke inhoudelijke criteria een onderwerp dat "belangeloos welbehagen" in de zin van Kant oproept, tot een kunstwerk wordt. De harmonie van aanschouwen en denken correspondeert met de eenheid van natuur en geest of - in meer Kantiaanse begrippen - van noodzakelijkheid en vrijheid. Friedrich Schiller had al eerder aanvullend op Kants theorie de werkelijkheid van het kunstwerk als vrijheid in de verschijning gedefinieerd. Een bekende kritiek op deze conceptie is, dat de vormaspecten van een kunstwerk niet voldoende aan de orde komen. Wat een kunstwerk tot kunstwerk maakt zou in de eerste plaats door de vormaspecten worden bepaald.

In dat opzicht zou ook Hegels bepaling van de antieke Griekse werken als klassieke kunst eenzijdig zijn. Dat de mens onderwerp van de kunst is, wordt als inhoudelijk kenmerk beschouwd, dat geen voldoende oordeel over de kwaliteit van deze kunst toelaat. Deze redenering is echter te eenvoudig. De rol die het menselijk lichaam in de beeldende kunst speelt, is zeker niet alleen een kwestie van inhoud. De structurering van het lichaam, de onderlinge verhouding van de verschillende lichaamsdelen en de maten van deze delen hebben een verstrekkende formele betekenis voor de beeldende kunst. Verder is de vraag nog niet eens gesteld, wat het betekent voor een visuele kunst dat het oog waarmee de kunstenaar kijkt een orgaan van zijn lichaam is, dat met alle andere lichaamsorganen samenhangt en er een eenheid mee vormt. Door het menselijke lichaam te zien verkrijgt het zien zelf een specifieke kwaliteit. Andere dingen inde wereld, ook vormen en kleuren leert men zien in relatie tot het menselijk lichaam. Iets is groot, omdat het groter is dan een mens en iets is verheven, omdat het zoveel groter is, dat de mens het niet meer kan vatten. En ook de onderlinge verhouding van dingen in een kamer of in een landschap ontvangt haar maat vanuit de verhouding van lichaamsdelen tot elkaar. Daarom zijn naaktstudies een onmisbaar onderdeel van een opleiding tot beeldend kunstenaar.

Wij kunnen deze vragen hier verder onbesproken laten. Onze kritiek is principiëler van aard en reikt verder dan de tegenstelling tussen inhoudelijke en formele aspecten. Aan de ene kant zoekt Hegel met Schiller en anderen naar een correlaat van het "belangeloze welbehagen" in de werkelijkheid. Aan de andere kant wil hij anders dan Plato de principiële scheiding (de chorismos) overwinnen die tussen de ideeënkosmos en de aanschouwingswereld bestaat. De dichotomie van een esthetica van de inhoud en een van de vorm is daarom op Hegels conceptie niet van toepassing.

Voor Hegel geldt voor alles: het bekijken van het schone is "liberaal van aard", dat wil zeggen, het laat de objecten voor wat zij zijn "als in zichzelf vrij en oneindig". Evenmin als bij Kant gaat het om een willen bezitten of gebruiken. Het schone hoeft niet nuttig te zijn voor eindige behoeften en doeleinden. Voorts staan mooie objecten niet alleen los van het willen bezitten of gebruiken door subjecten, maar ook van de strijd en overwinning in het samenbestaan met andere objecten. Wat Hegel hier formuleert kennen wij tegenwoordig als de autonomie van het kunstwerk. Het praktische nut is daarmee uitgesloten. Dat is ook de reden, waarom de architectuur die altijd ook een "dienende functie" heeft, de meest elementaire kunstvorm is, die aan het begin staat van de historische ontwikkeling van de kunst.

Wat is daarmee gezegd over de werkelijkheid van het kunstwerk? Hoe komen in de schoonheid aanschouwen en denken bij elkaar? Hoe kan de geest of de idee in het natuurlijke of het zinnelijke aanwezig zijn? Hegel gebruikt in dit verband de beroemde formule van "het zinnelijke schijnen van de idee". Deze formule geldt alleen voor de kunstschoonheid en niet voor de natuurschoonheid. De werkelijkheid van de natuurschoonheid is door het filosofische denken niet te vatten. Daarin is geen door hemzelf herkenbare gestalte van de geest uitgedrukt. De natuur is volgens Hegel het andere van de geest (dat wat de geest niet is), waarin de geest niet bij zichzelf is. Daarom kan de geest zijn aanwezigzijn in de gestalten van de natuur niet als zodanig kan vatten. Toch veronderstelt de kunstschoonheid eveneens het natuurlijke en het zinnelijk aanschouwde. Maar de geest is voor zichzelf in de kunstschoonheid herkenbaar. Hij heeft de natuurstof zo gevormd, dat deze activiteit in het resultaat terug te vinden is.

Om te begrijpen wat Hegel bedoeld met "het zinnelijke schijnen van de idee" in het kunstwerk, moeten wij in zijn Logica nakijken wat hij zegt over de bepaling van de schijn. Zijn conceptie van de schijn komt overeen met een oppositie die ook in het alledaagse bewustzijn wordt gemaakt: de tegenstelling tussen 'zijn' en 'schijn'. Het zijn wordt gedacht als vaste bepaaldheid. Voorzover de vaste bepaaldheid van iets door kwaliteit en kwantiteit niet wordt vastgehouden, ontstaat de schijn. De waardering van deze overgang is bij Hegel echter precies omgekeerde van wat er doorgaans onder wordt verstaan.

Als we de vaste bepalingen denken blijkt dat het niet mogelijk is ze vast te houden. Zo moeten we om eenheid te kunnen denken tegelijk veelheid denken, om realiteit te kunnen denken tegelijk de negatie ervan denken, enz., enz. De eenheid moet losgelaten worden om tot de veelheid te komen en wij moeten de realiteit loslaten om naar de negatie over te gaan. Dit leidt ertoe dat iedere bepaaldheid wordt losgelaten en eigenlijk alleen het overgaan wordt vastgehouden. Daarmee komen wij volgens Hegel van het zijn (als vaste bepaaldheid) naar de schijn, waarin het niet meer van belang is van welke bepaaldheid naar een volgende wordt overgegaan, maar alleen het overgaan als wezenlijk wordt beschouwd.

De eerste zin van het tweede deel van de Logica luidt daarom: "De waarheid van het zijn is het wezen". De werkelijkheid van de schijn staat dus voor een hogere waarheid dan die van het zijn. De dimensie van de schijn is die van het wezen. Dat is precies het omgekeerde van Plato's ideeënleer, die het zinnelijke en het materiële als schijn en daarmee als het onwezenlijke definieert. Voor Hegels logica van het wezen geldt: alle vaste bepalingen zijn losgelaten, dat wil zeggen, alles is schijn. Daarmee is het niet onwerkelijk of minder werkelijk dan het zijn. Integendeel: wij begrijpen de werkelijkheid van het zijn beter, want wij hebben gezien dat de vaste bepalingen geen blijvend bestaan hebben, dat zij ten onder gaan en voor andere ruimte moeten maken. Telkens blijkt het schijnkarakter van het zijn. Voorzover dit gebeuren zichzelf begrijpt, zegt Hegel: "De schijn schijnt in zichzelf." Dat het schijnkarakter van alle zijnsbepaaldheden duidelijk wordt, wordt als een specifieke stap van het denken begrepen. Dit zelfbegrip van de schijn vat de schijn als een gebeuren, als schijnen. Dit gebeuren vergelijkt Hegel met het schijnen van de zon. Dat is een wezenlijk gebeuren maar het is niet als ding, als vaste bepaaldheid van het zijn, te vatten.

Deze logica van de schijn is op zichzelf al een interessante en actuele problematiek. Wij moeten echter nog een stap verder gaan om te begrijpen wat met "het zinnelijke schijnen van de idee" wordt bedoeld is. Voordat wij dit doen wil ik opmerken, dat de logica van de schijn of van het wezen niet het laatste woord is van dit grondleggende deel van Hegels systeem. Zijn Logica omvat de logica van het zijn, van het wezen en van het begrip. Dat de vaste bepalingen van het zijn worden losgelaten en er alleen over de beweging van een bepaaldheid naar de andere wordt gesproken, is zelf weer van voorbijgaande aard. De verschillende vormen van deze beweging worden op zo'n manier uitgewerkt, dat het onverschillig blijft welke zijnsbepalingen bedoeld zijn. Alleen de beweging is wezenlijk, niet de zijnsbepalingen zelf. Nadat dit is gebeurd, wordt echter het schijnkarakter van de zijnsbepalingen weer opgeheven. In de logica van het begrip worden de oorspronkelijke zijnsbepalingen hernomen en met de verschillende vormen van de beweging van het overgaan samengevoegd als een in zichzelf processueel denken, dat constitutief is voor de daarin te vatten werkelijkheid. Het schijnkarakter van de zijnsbepalingen is op deze manier alleen maar een moment binnen de processualiteit van het denken en van het werkelijke.

Keren wij terug naar het "zinnelijke schijnen van de idee" in de kunst. In het kunstwerk gaat het er volgens Hegel eveneens om dat de vaste bepaaldheden van de natuur worden opgeheven. Dat wil zeggen: er is een vrije combinatie mogelijk tussen verschillende natuurlijke of zinnelijke bepalingen. Wat groot is, kan klein, wat rood is, kan groen worden gepresenteerd, enz. Het gaat hier niet om het zichzelf begrijpen van de schijn of het schijnen in zichzelf, maar om het schijnen van het zinnelijke of het zinnelijke schijnen. De vrije combinatie van zinnelijke bepalingen in de kunst is echter niet willekeurig. Het is een activiteit van de geest of van de idee, die zichzelf daarin herkent. De geest als kunstenaar herkent zichzelf in het kunstwerk. Hij legt zijn eigen wezen in het esthetische object. Het subjectieve wordt objectief en het objectieve wordt subjectief.

Dit aspect van de zelfherkenning of de zelfverwezenlijking van de idee in de schoonheid heeft Hegel ook besproken in zijn boek Fenomenologie van de geest. De geest is kunstenaar als schepper van de wereld zoals dit in de Griekse religie wordt beschreven. Daarom is deze religie kunstreligie. Het religieuze bewustzijn in de Griekse oudheid is tegelijk esthetisch bewustzijn. Wim van Dooren, de bekende Nederlandse Hegel-onderzoeker, heeft duidelijk gemaakt dat het werk van de kunstenaar in de Fenomenologie de hoogste vorm van arbeid betekent. Zichzelf herkennen in het produkt is een kenmerk van de hoogste vorm van arbeid. Dit arbeidsbegrip ligt ook ten grondslag aan Marx' kritiek op de arbeidsverhoudingen in de kapitalistische economie. De arbeider kan zichzelf in de arbeid niet verwezenlijken en in het produkt van zijn arbeid niet herkennen. Dat zijn de kerngegevens van wat Marx "vervreemde arbeid" heeft genoemd. Volgens hem is het een revolutie waard om de arbeidsverhoudingen zodanig te veranderen, dat er voor iedereen een vorm van arbeid mogelijk is, die in de beschreven zin een esthetische kwaliteit heeft. Als wij deze gedachtengang van de Fenomenologie volgen, vervalt wat Hegel later in zijn colleges over esthetica omtrent de natuurschoonheid heeft gezegd. De demiurg uit de Griekse mythologie is de kunstenaar die de hele wereld heeft gemaakt. De natuur die een belangrijk deel uitmaakt van zijn schepping, is één groot kunstwerk. De schoonheid van een kunstwerk dat door een menselijke kunstenaar wordt geproduceerd, vormt een herhaling in het klein van dit grote kunstwerk van de natuur. Het ligt in het verlengde van het Oudste systeemprogramma van het Duitse idealisme en in een zekere zin ook van het arbeidsbegrip van de Fenomenologie van de geest, dat de kunst het sluitstuk van het gehele systeem zou zijn. De objectsubjectivering of de vergeestelijking van de natuur eindigt met de kunstschoonheid, omdat daarin de natuur door de geest vrij kan worden gevormd en omgekeerd de natuur naar deze vormgeving door de geest is toegegroeid. Dat is de esthetische filosofie die Hegel in 1797 had geprogrammeerd en dat is tien jaar later ook nog het resultaat van de arbeid van de geest als kunstenaar, die door de menselijke kunstenaar in het klein wordt herhaald.

Deze conceptie strookt echter niet met het systeem van de filosofie zoals dat door Hegel in zijn Encyclopedie van de filosofische wetenschappen werd geschetst en zoals het verondersteld is in zijn colleges over esthetica. Volgens het latere systeem en dat geldt ook al voor de Fenomenologie van de geest, als wij ons daarin niet heel specifiek op het arbeidsbegrip richten, vormt de kunst niet het hoogste niveau van zijn denken. Hogere niveau's zijn de religie en de filosofie zelf. De geest wordt op zo'n manier gedacht, dat hij uiteindelijk de natuur en het zinnelijke weg kan werken. Kunst, religie en filosofie zijn drie niveau's van de absolute geest, dat wil zeggen van de geest die volledig zichzelf begrijpt. Dit gebeurt in de kunst door middel van het zinnelijke aanschouwen, in de religie door middel van het voorstellen en in de filosofie door middel van het begrip.

Deze systematische volgorde heeft een correlaat in de geschiedenis. De Griekse oudheid was de klassieke periode van de kunst. De absolute geest manifesteerde zich in de kunst. De christelijke religie vormde de volgende stap. De gedachte, dat god in zijn zoon mens wordt, dat dit tot een verlossing van de schepping moet leiden en dat god in de geest van de gemeente aanwezig blijft is nog op de natuur betrokken. Vooral in de middeleeuwen was deze religie het middelpunt van de cultuur. In de nieuwe tijd vanaf Descartes neemt de filosofie hoe langer hoe meer haar positie over. Wat in de voorstelling van de religie als triniteit gedacht is, wordt tenslotte puur begripsmatig uitgedrukt. Hegel is er zich van bewust, dat de volledige vergeestelijking van de natuur, die zich op deze drie laatste niveau's voltrekt, in zijn eigen filosofie tot een afsluiting komt. Het probleem van de natuur en van het zinnelijke breekt na Hegel echter weer door. Ik hoef hier alleen de namen te noemen van Feuerbach, Nietzsche en Freud.

De jonge Hegel die ik aan het begin citeerde had zichzelf nog niet de rol toegemeten, de ontwikkeling van het Westerse denken te vervolmaken en af te sluiten. Een ontwikkeling die als vergeestelijking van de natuur kan worden beschreven en die uiteindelijk tot het opheffen ervan moet leiden. Samen met Schelling, Hölderlin, Sinclair, Zwilling en anderen was hij "ervan overtuigd, dat het hoogste wat de rede kan doen, waardoor zij alle ideeën omvat, een esthetische handeling is." De esthetische filosofie die hij wilde ontwerpen, noemt hij dan ook een mythologische filosofie en hij verwachtte dat zij de filosofen zinnelijk zou maken. Zijn esthetica is de uitwerking van een filosofie van de geest in deze zin. Of beter gezegd: zijn esthetica zou dit kunnen zijn, indien zij het hoogste punt of het kernpunt van zijn denken was gebleven. De formule van "het zinnelijke schijnen van de idee" is geschikt om de filosofie van de kunst als kern van de filosofie überhaupt samen te vatten. We moeten dan wel veronderstellen dat het zinnelijke niet anders tot schijnen kan worden gebracht dan door de idee en dat het schijnen bij de idee hoort zoals het bij de zon hoort.

De idee gaat daarin op het zinnelijke tot schijnen te brengen. Daarbij is een dubbele betekenis van 'opgaan' verondersteld. De idee doet verder niets en is verder niets dan het tot schijnen brengen van het zinnelijke èn de idee heeft daarin juist haar (zons)opgang. Volgens deze Hegel-duiding had de idee niet als het uiteindelijke zichzelf begrijpen moeten worden gedacht, maar als het tot schijnen brengen van het zinnelijke.

Dat betekent dat wij ook op de andere gebieden van de filosofie dit schijnen tegen zouden moeten komen. Uiteraard zouden er graduele verschillen zijn al naar gelang wij over de religie of de staat, de maatschappij of de familie, het recht of de moraal willen spreken. Overal geldt, zij het ook in verschillende mate: de bepalingen staan niet vast. Zij gaan in elkaar over en zij zijn vrij te combineren. Overal hebben wij de kans om er iets moois van te maken. Dat is zelfs een ethisch imperatief. In een steile afdaling nar het einde van dit verhaal, waarin zijn begin wordt hervat, zou men ook kunnen zeggen: dit is de enige kans om als mensheid te overleven. Aan de natuur of de zinnelijkheid wordt door de geest op een zodanige wijze vorm gegeven dat deze aan esthetische criteria voldoet. Dat wil zeggen dat de vergeestelijking van de natuur tegelijk een vernatuurlijking van de geest behoort te zijn. Het kan er niet langer om gaan dat de laatste door de eerste wordt weggewerkt of opgeheven. Er kan een blijvend evenwicht ontstaan dat op een dynamische manier verandert en zich zelf herstelt. Dat is de lering die wij uit Hegels esthetica kunnen trekken, als wij deze tekst in verband brengen met zijn intenties van 1797. Op deze manier blijft zijn denken goed voor verrassende nieuwe uitkomsten. Uiteraard moeten wij deze uitkomsten niet verwisselen met de modische stroming van het estheticisme. Wij worden veeleer naar het probleem verwezen dat aan deze stroming ten grondslag ligt.

Het type weten, waarin natuur en geest tot een dynamisch evenwicht zijn gebracht, staat voor een verzoening van het ware en het schone. Dit weten blijft esthetisch bepaald; het blijft een weten van het raadsel en daarmee ervanen van de lust van het raadsel. Daarom wil ik afsluiten met een artistieke uitdrukking van dit type weten in een gedicht van Christian Morgenstern:

 

Der Wissende

Wer einmal frei
vom großen Wahn
ins leere Aug
der Sphinx geblickt,
vergißt den Ernst
des Irdischen
aus Überernst
und lächelt nur.
Ein Spiel bedünkt und treibt es zart
ihn nun die Welt, und klug und kühn -
ein Spiel er selbst doch lüftet ihr
und all sein Tun. die Maske ihm:
Wohl läßt er's nicht er blickt euch an
und spielt es fort und lächelt nur.

Wer einmal frei
vom großen Wahn
ins leere Aug
der Sphinx geblickt,
verachtet stumm
der Erde Weh,
der Erde Lust,
und lächelt nur.

 

 

LITERATUUR

primair:
Hegel, G.W.F., Ästhetik. F. Bassenge (Hrsg.), (2 delen) Berlijn 1985. Over de esthetiek. Vert. en inl. S. van Keulen, Meppel/Amsterdam 1989. Enzyklopädie der philosophischen Wissenschaften im Grundrisse. F. Niclin/O. Pöggeler (Hrsg.), Hamburg 19596 (par. 556-563). "Das älteste Systemprogramm des deutschen Idealismus", in: Ch. Jamme/H. Schneider (Hrsg.), Mythologie der Vernunft. Frankfurt a.M. 1984, p. 7-17.

secundair:
Pöggeler, O. (red.), Hegel. Einführung in seine Philosophie. Freiburg/München 1977.
Hösle, V., Hegels System. (2 delen), Hamburg 1988.
Taylor, Ch., Hegel. Cambridge 1975.
Henckmann, W., "Bibliographie zur Ästhetik Hegels. Ein Versuch", in: Hegel-Studien 5 (1969), p. 379-427.
Kaminsky, J., Hegel on art. An interpretation of Hegels aesthetics. New York 1962.
Gethmann-Siefert, An Die Funktion der Kunst in der Geschichte. Untersuchungen zu Hegels Ästhetik. Bonn 1984 (Hegel-Studien, Beiheft 25).
Kuhn, H., Die Vollendung der klassischen deutschen Ästhetik durch Hegel. Berlin 1931. Eveneens in: H. Kuhn, Schriften zur Ästhetik. München 1966, p. 15-144.
Paetzold, H., Ästhetik des deutschen Idealismus. Zur Idee der ästhetischen Rationalität bei Baumgar ten, Kant, Schelling, Hegel und Schopenhauer. Wiesbaden 1983, p. 174-411.
Theunissen, M., Sein und Schein. Frankfurt a.M. 1980.
Wieland, R., Zur Dialektik des ästhetischen Scheins. Königstein 1981.

 

 



Het CFK onderhoudt samenwerkingsverbanden met:
 
Philosophy of Information and Communication Technology International Association for Philosophy and Literature Witte de With Centrum Beeldende Kunst V2_ International Association for Aesthetics Maai Aan/Uitgevers


 
CFK
 under deconstruction
page-top