Centrum Filosofie en KunstCFK Uitgaves
CFK VoorgeschiedenisCFK OntwikkelingsstrategieenCFK HOMECFK Symposia
CFK LezingenCFK UitgavesCFK webZineOnderwijsKunstenCFK Workshopsmedewerkers
 <- CFK.SUBURLS

 

IN DE REEKS Rotterdamse Filosofische Studies; Filosofie en Kunst 1:

RFS14:Van Plato tot Nietzsche: acht inleidingen in de esthetica
H.A.F. Oosterling & A.W. Prins (red.)


KUNST ALS ORGANON
De romantische esthetica van Schelling

Jos de Mul

 

Inleiding

Friedrich Wilhelm Joseph Schelling (1775-1854) wordt niet zonder reden beschouwd als de meest representatieve filosoof van de Romantiek. Ofschoon vele van zijn ideeën ook, en vaak zelfs al eerder, aangetroffen kunnen worden in het werk van andere Romantici, zoals de gebroeders Schlegel en Novalis, komt Schelling de eer toe, de veelal uiterst fragmentarische denkbeelden over de kunst die leefden onder de Romantici in een omvattend filosofisch systeem te hebben samengebracht. Schellings filosofie van de kunst kan daarom niet los worden gezien van het geheel van zijn filosofische systeem. De kunst is voor Schelling en de andere Romantici voor alles een uitdrukking van het absolute. Schellings kunstfilosofie is in de eerste plaats een metafysica van de kunst.

Het systematische karakter van Schellings filosofie en de specifieke metafysische vraagstelling verbinden haar nauw met de idealistische filosofie van Fichte en Hegel. Daarom kan Schellings filosofie van de kunst ook een voorbeeld worden genoemd van een idealistische esthetica. De enthousiaste overgave aan de kunst verleent Schelling evenwel een uitzonderingspositie binnen het Duitse Idealisme. Knittermeyer, die in 1929 een gezaghebbend boek publiceerde over Schelling en de romantische school, merkt terecht op dat Hegel, gemeten naar de maatstaven van de romantiek, de indruk maakt van een geheelonthouder op een feestje van in extase verkerende dronkelappen.

Behalve dat het systeemkarakter van Schellings filosofie het bijzonder moeilijk maakt zijn denkbeelden over de kunst te isoleren van de rest van zijn filosofie, wordt een weergave van Schellings kunstfilosofie ook nog bemoeilijkt door het feit dat Schelling niet één systeem heeft ontworpen, maar aan de lopende band systemen produceerde. In de Schelling-literatuur worden daarom verschillende (soms wel zes) stadia in zijn denken onderscheiden. Weliswaar heeft hij niet in alle stadia over kunst geschreven, maar om de betekenis van de kunstfilosofische geschriften te kunnen vatten kan niet volledig van deze ontwikkeling worden geabstraheerd. Een extra probleem bij de interpretatie van Schellings geschriften over de kunst wordt nog gevormd door het feit dat Schelling met een idealistische, tot de metafysiche traditie behorende terminologie, die in laatste instantie op Plato teruggaat, een ervaring tracht te verwoorden, die juist door deze traditie is buitengesloten.

Dit laatste verschaft Schelling overigens een unieke plaats in de geschiedenis van de filosofie. De westerse filosofie vanaf Plato wordt overwegend gekenmerkt door een sterk afwijzende houding ten aanzien van de kunst. Alhoewel de rehabilitatie van de kunst voor Schelling reeds werd voorbereid door Kants Kritik der Urteilskraft en Schillers Briefe über aesthetische Erziehung, is hij de eerste filosoof geweest die de kunst nadrukkelijk boven de filosofie plaatst. Omgekeerd maakt dit Schelling ook tot één van de eerste moderne filosofen, die de crisis van de rede, en van de op deze rede gebaseerde moderne cultuur, aan de orde hebben gesteld.' Veel van de thema's die Schelling in dit kader heeft aangesneden, vinden we later terug in het werk van Nietzsche, Freud, Heidegger en de post-moderne filosofen die bij het gedachtengoed van deze denkers aanknopen.

De indeling van dit artikel is als volgt. Ik begin met een schets van Schellings levensloop tegen de achtergrond van de filosofische en culturele situatie van Duitsland in de decennia rond 1800 (§1). Daarna zal ik nader ingaan op die aspecten van Schellings filosofie die onmisbaar zijn voor een goed begrip van zijn geschriften over de kunst (§2). Tenslotte sta ik meer uitgebreid stil bij zijn filosofie van de kunst (§3).

 

1. Schelling en zijn tijd

Friedrich Wilhelm Joseph Schelling werd in 1775 geboren in Leonberg (Württemberg). Schelling is een bijzonder vroegrijp kind. Wanneer hij acht jaar is kennen het Grieks en het Latijn al weinig geheimen meer voor hem en reeds op twaalfjarige leeftijd verlaat hij de Lateinschule. Zijn vader, die vanaf 1777 als professor verbonden was aan Kloster Bebenhausen bij Tübingen, een voorbereidende opleiding voor de Tübinger Universiteit, plaatst de jonge Schelling tussen de oudere seminaristen. Ook deze opleiding heeft Schelling na korte tijd niets meer te leren, en in 1790, het jaar dat Kant de laatste van zijn drie grote kritieken, de Kritik der Urteilskraft publiceert, krijgt de vijftienjarige Schelling ontheffing van de dan geldende leeftijdsgrens om aan de Tübinger universiteit filosofie en theologie te gaan studeren. Deze universiteit geniet in deze tijd geen al te grote faam, het is een regionale universiteit, die vooral toekomstige theologen en gymnasiumleraren opleidt, en politiek gezien een bolwerk van het conservatisme. Toch drukt de Tübinger periode een onuitwisbare stempel op Schellings gehele verdere ontwikkeling. Hij deelt in het Tübinger Stift, het gebouw waarin de theologiestudenten verplicht wonen, vanaf het wintersemester 1790-91 zijn kamer met de vijf jaar oudere Hegel en met Hölderlin. Er onstaat een intense vriendschap, waarbij de drie zich met groot gulzigheid verdiepen in de revolutionaire denkbeelden die op dat moment door Europa spoken. Politiek staat deze periode geheel in het teken van de Franse Revolutie, die nog maar enkele jaren daarvoor had plaatsgevonden. Het is een gebeurtenis die op het Duitse volk, dat - zoals Karl Marx ergens opmerkt - niet graag revolutie maakt, maar wel de aanleg heeft er diep over na te denken, een onuitwisbare indruk maakt. Op filosofisch vlak bestuderen de drie vrienden de Verlichtingsfilosofie van Kant, die een fundamentele ondermijning betekent van de de traditionele metafysica, van de heersende theologie en van de feodale politiek. De oproep "Sapere aude! Heb de moed je van je eigen verstand te bedienen", die Kant in 1784 had gedaan in zijn beroemde pamflet Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung? bevat een impliciete kritiek op iedere autoriteit anders dan die van de rede en spreekt de mens aan op zijn individuele vrijheid en verantwoordelijkheid. Speciaal de radicale uitwerking van Kants filosofie door Fichte, die in 1792 zijn Versuch einer Kritik aller Offenbarung had gepubliceerd, vindt een enthousiast onthaal bij Schelling, Hegel en Hölderlin. Ook het werk van Rousseau en Spinoza maakt een diepe indruk op het drietal. Deze revolutionaire invloeden leiden ertoe dat zij breken met het traditionele Christendom en de schoolmetafysica, zoals die op de Tübinger universiteit worden onderwezen.

Twee jaar na Hegel en Hölderlin sluit Schelling in 1795 zijn studie af en verlaat hij het Tübinger Stift om net als zijn vrienden de weinig revolutionaire betrekking van huisonderwijzer te aanvaarden. Schellings lot valt in vergelijking met dat van zijn vrienden nog niet zo ongunstig uit. Van 1796 tot 1798 begeleidt hij de jonge Baron von Riedesel bij zijn studie in Leipzig, wat hem in de gelegenheid stelt zich intensief bezig te houden met de studie van de wiskunde, de natuurwetenschappen en de geneeskunde. Inmiddels heeft Schelling reeds vanaf 1794 in een hoog tempo een aantal filosofische werken gepubliceerd, die aanvankelijk sterk onder invloed staan van Fichte. Onder invloed van zijn studies in Leipzig verschijnt er vanaf 1797 echter een reeks natuurfilosofische geschriften, waarin Schelling zich tegen Fichte afzet en tot een eerste eigen filosofisch systeem komt. Uit datzelfde jaar 1797 dateert waarschijnlijk ook het zogenaamde Älteste Systemprogramm van het Duitse Idealisme, dat in het handschrift van Hegel overgeleverd is, maar dat volgens sommigen geschreven is door Schelling. Dit ontwerp, dat oproept tot een esthetisering en mythologisering van de filosofie en de hoop uitspreekt, dat de pozie opnieuw lerares van de mensheid zal worden, sluit in ieder geval nauw aan bij het eerste grote werk van Schelling waarin de kunst deze taak krijgt toebedeeld: het System des transzendentalen Idealismus uit 1800. De kunst zal deze rol blijven spelen in zijn geschriften tot ongeveer 1807.

Schellings belangstelling voor de kunst is in deze periode overigens niet enkel van filosofische aard. In 1798 wordt Schelling, inmiddels 23 jaar oud, op voorspraak van Fichte en Goethe, die zeer onder de indruk waren van zijn natuurfilosofie, benoemd tot bijzonder hoogleraar in Jena. Deze stad vormt, tezamen met Berlijn, het centrum van de Duitse Romantiek. In Jena verblijven in deze jaren behalve Fichte, wiens filosofie een belangrijke invloed uiteoefende op de romantici, o.a. ook de gebroeders Friedrich en August Wilhelm Schlegel, Tieck en Novalis. Voordat hij naar Jena vertrekt brengt Schelling enige maanden door in het nabijgelegen Dresden - de woonplaats van de romantische schilder Casper David Friedrich - om de uitgebreide kunstverzameling aldaar te bestuderen. Niet alleen maakt hij daar kennis met "de goddelijke schilderijen van Raphael en Correggio", maar ook met de kring rondom de gebroeders Schlegel. Schelling werd al snel in deze kring opgenomen, wat een sterke wederzijdse benvloeding tot gevolg heeft.

Ook de esthetische theorieën van Schiller maken indruk op Schelling. Schiller vat in navolging van en kritiek op Kants Kritik der Urteilskraft de kunst op als het domein waarin de theoretische rede (die betrekking heeft op de causaal bepaalde natuur) en de praktische rede (die betrekking heeft op de morele vrijheid) met elkaar in harmonie kunnen worden gebacht. In zijn invloedrijke brievencyclus Über die ästhetische Erziehung des Menschen (1795) pleit Schiller, door de op een genadeloze terreur uitgelopen Franse Revolutie diep teleurgesteld in de mogelijkheden van een uitsluitend politieke revolutie, voor een meer fundamentele esthetische omwenteling van de cultuur. Wanneer de theoretische of de praktische rede overheerst, wordt er volgens Schiller steeds één zijde van de menselijke natuur ten koste van de andere onderdrukt, hetgeen een fundamentele vervreemding tot gevolg heeft. Slechts wanneer de mens zich overgeeft aan zijn esthetische 'Spieltrieb', kunnen beide zijden van de menselijke natuur tot harmonie worden gebacht en kan de mens eerst mens worden in de volle zin van het woord. Voorzover deze situatie nog niet is gerealiseerd, klaagt de kunst de vervreemde samenleving aan en is zij tegelijkertijd een 'promesse de bonheur', een belofte van een mogelijke toekomstige vervulling. In het wintersemester van 1802/03 geeft Schelling colleges over de Philosophie der Kunst, die pas posthuum gepubliceerd zullen worden. Deze filosofie van de kunst maakt een onderdeel uit van het systeem van de Identiteitsfilosofie, die hij het jaar daarvoor voor het eerst gepresenteerd had. Ook in de collegereeks Über die Methode des akademischen Studiums, die hij in 1803 verzorgt, gaat Schelling uitgebreid in op de filosofie van de kunst.

Tot de romantische kring behoort ook Caroline, de vrouw van August Wilhelm Schlegel. Het was een vrouw, die, zoals Knittermeyer het in zijn eerder genoemde studie uitdrukt, "met haar hartebloed leefde, wat de andere Romantici in het universum projecteerden". Dat ervoer ook Schelling al spoedig aan den lijve. Caroline en hij vatten een onstuimige romantische liefde voor elkaar op, en in 1803, nadat Caroline gescheiden is van Schlegel, trouwen ze. In datzelfde jaar vertrekken zij naar Würzburg, waar Schelling tot gewoon hoogleraar wordt benoemd. In 1804-05 herhaalt Schelling in Würzburg de eerder in Jena voorgedragen Philosophie der Kunst.

Als gevolg van politieke strubbelingen verhuizen Schelling en Caroline in 1806 naar München, waar Schelling toetreedt tot de Münchener Akademie der Wissenschaften. Hij heeft daar geen collegeverplichtingen en zal dan ook tot 1820 geen colleges meer verzorgen. Wel houdt hij een aantal lezingen, waaronder in 1807 de voordracht Über das Verhältnis der bildenden Künste zu der Natur. Deze tekst, waarschijnlijk de meest toegankelijke van zijn kunstfilosofische geschriften, is het laatste geschrift van Schelling waarin de kunst een centrale plaats inneemt. Zijn praktische bemoeienissen met de kunst beëindigt Schelling in deze periode echter nog niet. In 1808 wordt hij benoemd tot 'Generalsekretär' van de Academie van beeldende kunsten in München.

De volgende jaren vindt er een aantal gebeurtenissen plaats die Schelling in een existentiële crisis brengen, waar hij naar het zich laat aanzien nooit meer volledig bovenop is gekomen en die er wellicht mede toe bijgedragen hebben dat zijn latere filosofie een "filosofie van de melancholie" zou worden. In de eerste plaats vindt in 1806 en 1807 een openlijke breuk plaats met Fichte en Hegel. De breuk met Fichte heeft zijn oorzaak in een kritisch geschrift over Fichte dat Schelling in 1806 publiceert. De ferme aanval die Hegel volgens Schelling in de voorrede van de Phänomenologie des Geistes (1807) richt op zijn identiteitsfilosofie betekent het einde van hun vriendschap. De dood van Caroline in 1809 is in zekere zin de genadeslag voor Schelling. Vanaf dat jaar heeft hij vrijwel niets meer gepubliceerd. Het meeste wat hij vanaf dat moment schrijft blijft fragment, en de kunst, waaraan hij eerder zulke enthousiaste gedachten wijdde, komt nauwelijks meer ter sprake. In de Philosophische Untersuchungen über das Wesen der menschlichen Freiheit, dat in 1809 wordt gepubliceerd, tekent zich reeds de teneur af, die Schellings latere denken zal gaan beheersen: een fundamentele twijfel aan de redelijkheid van de wereld.

Van 1820 tot 1827 vervult Schelling een eredoctoraat aan de universiteit van Erlangen. Voor het eerst sinds 14 jaar geeft hij weer colleges, behalve over de geschiedenis van de filosofie doceert hij daar zijn Philosophie der Mythologie. In 1827 wordt hij door koning Ludwig I, een groot liefhebber van de Romantiek, weer terug gehaald naar München, waar hij tot 1841 zal verblijven. Behalve zijn colleges over de mythologie doceert hij ook zijn Philosophie der Offenbarung. Ondanks herhaalde aankondigingen worden deze colleges tijdens Schellings leven niet gepubliceerd. In zijn colleges over de geschiedenis van de filosofie kritiseert hij op scherpe wijze Hegels gelijkstelling van werkelijkheid en redelijkheid. In 1841, tien jaar na Hegels dood, wordt hij naar diens oude standplaats Berlijn gehaald, om daar het hegelianisme te bestrijden. Zijn komst naar Berlijn is een sensatie van de eerste orde, maar zijn filosofie van de mythologie en de openbaring vindt nauwelijks weerklank - ofschoon ze op enkele toehoorders, zoals de jonge Kierkegaard, een diep indruk nalaten - en bezorgen hem een venijnige kritiek van de hegelianen . In 1846 geeft Schelling verbitterd zijn colleges op. In 1854 overlijdt hij tijdens een reis door Zwitserland.

 

2. Schellings filosofie van de identiteit

Zoals in de inleiding reeds werd opgemerkt valt Schellings filosofie van de kunst niet los te zien van het geheel van zijn filosofie. Daarom zal ik daar eerst nader op in gaan. Ik beperk me daarbij tot de ontwikkeling van zijn filosofie tot 1800. In dat jaar verschijnt het System des transzendentalen Idealismus, het geschrift waarin de kunst prominent op de voorgrond treedt. In de volgende paragraaf zal ik vervolgens ingaan op dat werk en op de andere kunstfilosofische geschriften uit het daaropvolgende jaren.

Schelllings filosofie valt, net als die van Fichte en Hegel, slechts te begrijpen tegen de achtergrond van Kants transcendentaalfilosofie. In zijn kritische onderzoek naar de aard en reikwijdte van de menselijke rede stelt Kant dat de menselijke kennis geen passief gebeuren is, maar een actieve inbreng vereist van de rede. Zo zijn volgens Kant ruimte en tijd geen zaken die we in de werkelijkheid aantreffen, maar apriorische vormen van de zintuiglijkheid. De apriorische vormen van ruimte en tijd zouden we kunnen vergelijken met een gekleurde bril, die ons de werkelijkheid op een specifieke wijze doet zien. Anders dan een bril kunnen we de apriorische vormen van de zintuiglijkheid echter niet afzetten. Het zijn constituerende vormen, zonder welke geen waarneming mogelijk zou zijn. Behalve de zintuigen speelt ook het verstand volgens Kant een cruciale rol in het kenproces. Het verstand verbindt door middel van apriorische begrippen ofwel categorieën de verschijnselen met elkaar. Dat betekent dat volgens Kant ook causaliteit niet aangetroffen kan worden in de werkelijkheid zelf, maar dat zij eerst in de menselijke ervaring op de verschijnselen wordt gedrukt. In die zin kan men zeggen dat voor Kant de ervaringswereld een produkt is van de menselijke rede. Kant ontkent niet dat er een werkelijkheid bestaat buiten de menselijke rede, maar deze werkelijkheid 'an sich' is volgens Kant principieel onkenbaar. Wij kennen slechts de werkelijkheid zoals die aan ons, gevat in de apriorische vormen van de menselijke rede, verschijnt.

Kants tijdgenoot Jacobi merkte op, dat Kants begrip van het Ding an sich een bijzonder problematisch begrip is. Weliswaar krijgen we volgens hem zonder dit begrip geen toegang tot de transcendentaalfilosofie, maar eenmaal erbinnen lijkt het begrip moeilijk te handhaven. De reden hiervoor is dat volgens de transcendentale uitgangspunten de aanwending van de causaliteit strikt beperkt is tot de verstandelijke synthese van voorstellingen. Anderzijds fungeert het Ding an sich als iets dat de verschijnselen in ons veroorzaakt, hetgeen op grond van transcendentaalfilosofische overwegingen een ongeoorloofd gebruik van het causaliteitsbegrip betekent. Fichte trekt hieruit de conclusie dat de aanname van Dinge an sich onjuist is, en dat de gehele natuur beschouwd moet worden als een produkt van de geest. Aanknopend bij Kants opvatting van de transcendentale apperceptie, d.w.z. de opvatting dat het 'ik denk' al onze voorstellingen noodzakelijk begeleidt, verheft Fichte het absolute Ik tot het eigenlijke principe van alle filosofie. Daarmee is de geboorte van het Duitse Idealisme een feit. Nu dient Fichte vanzelfsprekend te verklaren hoe het komt dat het alledaagse bewustzijn de materiële werkelijkheid allerminst opvat als een produkt van de geest, maar als iets dat daar onafhankelijk van bestaat. De oplossing die Fichte daarvoor vindt is dat de produktie van de natuur een onbewust voortbrengsel is van het absolute Ik, en dat het empirische Ik de natuur slechts geleidelijk als haar eigen produkt leert (her)kennen. In de gewaarwordig staat de wereld nog geheel tegenover ons, maar in de zintuigelijke waarneming vangt reeds het proces van de bewuste integratie van Ik en niet-Ik aan, dat via het verstand en het oordeelsvermogen in de rede zijn hoogtepunt vindt in de identiteit van het denken en het gedachte. Wanneer het Ik het niet-Ik volledig in zich heeft opgenomen, heeft het zijn vrijheid volkomen verwerkelijkt. Deze verwerkelijking mag volgens Fichte overigens, en hiermee blijft hij trouw aan Kants Kritik der praktischen Vernunft, niet worden opgevat als een gegeven; het is een praktische opgave, een ideaal dat in werkelijkheid nooit volledig gerealiseerd, maar slechts benaderd kan worden.

Op de jonge Schelling, zo merkte ik reeds op, maken deze denkbeelden een verpletterende indruk en in zijn eerste geschriften (zie noot 7) verkondigt hij onomwonden Fichtes standpunt dat het absolute Ik principe van alle weten is. Toch geeft Schelling van meet af aan een eigen wending aan Fichtes filosofie. Volgens Schelling kan het oneindige Ik zich slechts van zichzelf bewust worden door zich te objectiveren, dat wil zeggen door eindig te worden. In de Abhandlungen van 1796/7 drukt Schelling het als volgt uit: "De geest is slechts inzoverre geest als hij zichzelf tot object maakt, dat wil zeggen, eindig wordt. Daarom kan hij niet oneindig zijn zonder eindig te worden, noch kan hij (voor zichzelf) eindig worden zonder oneindig te zijn. Hij is daarom geen van beide, noch oneindig noch eindig alleen, maar in hem is de oorspronkelijkste vereniging van oneindigheid en eindigheid". Schelling gaat hier dus uit van een oorspronkelijke toestand, waarin de oneindige geest en de eindige natuur op een onbepaalde wijze identiek zijn. We zullen zien dat dit idee van een absolute identiteit in Schellings latere filosofie steeds meer op de voorgrond zal treden.

Als gevolg van deze wending, en mede ook onder invloed van zijn natuurkundige studie in de jaren 1796-98, kan Schelling Fichtes opvatting dat de natuur niet meer is dan een produkt van de geest niet langer onderschrijven. In zijn natuurfilosofische geschriften van de laatste jaren voor de eeuwwisseling stelt Schelling dat de natuur opgevat moet worden als een objectief proces, dat van de materie, dat wil zeggen van de onbewuste geest, voert tot de bewuste geest (zie noot 8). De natuur wordt daarbij door Schelling - anders dan Kant en Fichte en mede onder invloed van de filosofie van Spinoza - niet primair begrepen als een levenloze materie, die aan de mens is onderworpen en slechts dient om diens behoeften te bevredigen, maar als een redelijk, zichzelf constituerend proces, dat het dragende fundament vormt van het bewustzijn. Vanuit dit standpunt wordt Fichtes streven het absolute Ik tot centrum van al wat is te maken door Schelling scherp gekritiseerd.

Anderzijds verwerpt Schelling Fichtes transcendentaalfilosofie niet in zijn geheel. De transcendentaalfilosofie (die haar startpunt heeft in de bewuste geest) en de natuurfilosofie (die haar startpunt heeft in de natuur als onbewuste geest) kunnen volgens Schelling als complementair worden opgevat. De natuurfilosofie bestudeert hoe de natuur zich ontwikkelt tot het zichzelfbegrijpende bewustzijn; de transcendentaalfilosofie bestudeert hoe de geest ertoe komt, zichzelf voor te stellen. De wereld kan met andere woorden zowel opgevat worden als een geschiedenis van de geest als als een geschiedenis van de natuur. Beide beschouwingswijzen behoren samen, omdat ze volgens Schelling hun grond vinden in het Absolute, de oorspronkelijke vereniging van idealiteit en realiteit, geest en natuur, oneindigheid en eindigheid, bewustzijn en onbewuste, subject en object. De wereldgeschiedenis dient in laatste instantie opgevat te worden als de ontwikkeling van dit Absolute in de tijd. Dit Absolute, door Schelling ook wel aangeduid als de veronderstelde identiteit of de uiteindelijk weer bereikte indifferentie van de genoemde tegenstellingen, komt in de geschriften die in de eerste zeven jaar na 1800 ontstaan centraal te staan in zijn filosofie. Het is vanuit deze identiteitsfilosofie, dat we Schellings gedachten over de kunst moeten begrijpen, die in dezelfde periode ontstaan.

 

3. Schellings filosofie van de kunst

Zoals eerder werd opgemerkt kan het absolute van twee zijden worden benaderd: als een 'geschiedenis' van de geest of als een 'geschiedenis' van de natuur. In het System des transzendentalen Idealismus uit 1800 staat de 'geschiedenis' van de geest centraal. Een belangrijke vraag die daarbij beantwoord dient te worden is hoe het subject tot inzicht in het Absolute komt. Het is bij de beantwoording van deze vraag dat de kunst, in het zesde, afsluitende deel van het boek, een sleutelfunctie in het gehele systeem krijgt toegewezen.

In dit deel stelt Schelling zich de opgave de identiteit van de bewuste activiteit van de geest en de onbewuste activiteit van de natuur aan te tonen. Aangezien de transcendentaalfilosofie uitgaat van de geest dient Schelling in het subjectieve, het bewustzijn zelf, die tegelijkertijd bewuste en onbewuste activiteit aan te wijzen. In de inleiding stelt Schelling reeds dat deze activiteit geen andere kan zijn dan een esthetische: "De ideële wereld van de kunst en de reële wereld van de objecten zijn dus produkten van dezelfde activiteit, het samentreffen van beide (het onbewuste en het bewuste) zonder bewustzijn geeft de werkelijke wereld, met bewustzijn de esthetische wereld. De objectieve wereld is slechts de oorspronkelijke nog onbewuste pozie van de geest: Wat we natuur noemen is een gedicht dat in een geheim wonderbaarlijk schrift verborgen ligt". Het algemene organon van de filosofie - en de sluitsteen van haar gehele gewelf - is de filosofie van de kunst". Dat Schelling het esthetische tot sluitsteen van het gehele transcendentaalfilosofische bouwwerk maakt is niet geheel verrassend. Ook door Kant en in diens voetsporen Schiller wordt de esthetische dimensie begrepen als de verzoenende instantie tussen de theoretische en de praktische rede, tussen natuur en vrijheid. De stap die Schelling zet met zijn boude stelling dat de gehele werkelijkheid begrepen dient te worden als de onbewuste pozie van de geest is echter strikt onkantiaans. Dat wordt helemaal duidelijk in Schellings verdere uitwerking van dit thema, waarin hij zijn positie verder radikaliseert.

Een probleem waarmee Schelling in zijn filosofie van het Absolute steeds geconfronteerd wordt is hoe het Absolute kan worden gevat. Het is duidelijk dat dit Absolute niet tot object van een voorstelling kan worden gemaakt, zoals dat met empirische voorwerpen het geval is. Het Absolute is immers niet objectief, aangezien het als het absolute Identieke noodzakelijk vooraf gaat aan het onderscheid tussen subject en object. Dat betekent echter dat het Absolute nooit in begrippen kan worden gevat, aangezien ook het begrip altijd een objectivering impliceert. Volgens Schelling kan het Absolute door de filosoof slechts op intuïtieve wijze worden gekend in wat hij aanduidt als een intellectuele aanschouwing: "De gehele filosofie gaat uit en moet uitgaan van een principe, dat als absoluut principe zonder meer het Identieke is. Een absoluut eenvoudige Identiteit laat zich door geen beschrijving, laat staan door begrippen mededelen. Het kan slechts aanschouwd worden. Een dergelijke aanschouwing is het organon van iedere filosofie. Maar deze aanschouwing, die geen zintuiglijke, maar een intellectuele is, die niet het objectieve of het subjectieve, maar het absoluut Identieke tot voorwerp heeft is zelf louter een innerlijke aanschouwing, die voor zichzelf niet objectief kan worden; dit is slechts mogelijk door een tweede aanschouwing. Deze tweede aanschouwing is de esthetische".

De esthetische aanschouwing is met andere woorden de objectief geworden intellectuele aanschouwing. De filosofie voert ons naar het inzicht in de absolute identiteit van geest en natuur, maar slechts het kunstwerk kan deze identiteit ongescheiden belichamen. Het absoluut identieke, voor iedere andere aanschouwing ontoegankelijk, wordt "door het wonder van de kunst uit haar produkten teruggestraald". Hier gaat Schelling dus in feite nog een stap verder dan in de eerder geciteerde passage uit de inleiding. Werd daar de filosofie van de kunst de sluitsteen van de gehele filosofie genoemd, aan het eind van zijn analyse blijkt de kunst zelf deze sluitsteen te zijn: "Wanneer de esthetische aanschouwing de objectief geworden intellectuele aanschouwing is, dan is het vanzelfsprekend dat de kunst het enig ware en eeuwige organon en tegelijkertijd document van de filosofie is, dat altijd en voortdurend opnieuw documenteert wat de filosofie niet uiterlijk kan weergeven, namelijk het onbewuste in het handelen en produceren en zijn oorspronkelijke identiteit met het bewuste. De kunst is daarom voor de filosoof het hoogste, omdat zij hem het allerheiligste als het ware opent, waar in eeuwige en oorspronkelijke vereniging als het ware in één vlam brandt, wat in de natuur en geschiedenis, evenals in het denken, elkaar eeuwig moet ontvluchten".

Schelling besluit met de verwachting uit te spreken dat "de filosofie, zoals zij in de jeugd van de wetenschap uit de poëzie geboren en gevoed werd, en met haar alle wetenschappen die zich van haar hebben losgemaakt, na hun voltooiing als evenzovele stromen weer zullen terugvloeien in de oceaan van de pozie". Schelling ziet wel in, dat deze overgang van wetenschap en filosofie naar poëzie niet onmiddellijk te bereiken is. Daartoe is volgens hem een tussenvorm vereist. Zoals filosofie en poëzie in de presocratische ervaring nog ongescheiden één waren in de mythologie, zo zal volgens hem de toekomstige overgang van filosofie naar poëzie de vorm aannemen van een nieuwe mythologie, die niet het werk zal zijn van een enkele dichter, maar van een geheel geslacht dat deze dichter zou moeten voorstellen.

Nu de plaats van de kunst in Schellings systeem is aangegeven, zal ik nader ingaan op Schellings ontologie van het kunstwerk en zijn analyses van de produktie en de receptie van de kunst. Daarbij zal duidelijk worden, dat Schelling ondanks het abstracte, metafysische uitgangspunt van zijn filosofie van de kunst een interessant licht werpt op onze concrete ervaring van de kunst.

Centraal in Schellings filosofie van de kunst staat het kunstwerk. Het is immers niet de kunstenaar of de toeschouwer, maar het kunstwerk zelf dat de absolute Identiteit van geest en natuur belichaamt. Als belichaming van deze identiteit grenst het kunstwerk zowel aan de produkten van de natuur als aan die van de geest. Met het natuurprodukt heeft het kunstwerk gemeen, dat het onbewust is voortgebracht, noodzakelijk schijnt en eindig is, met het produkt van de geest, dat het bewust en in vrijheid is voortgebracht en oneindig is. In het kunstprodukt worden deze bewuste en onbewuste activiteit verenigd: het is de synthese van natuur en geest, noodzakelijkheid en vrijheid, eindigheid en oneindigheid. In het kunstwerk wordt "de onzichtbare scheidswand opgeheven, die de werkelijke van de ideële wereld scheidt". Het kunstwerk brengt daarmee de genoemde tegenstellingen in een "oneindige harmonie". Deze harmonie komt tot uitdrukking in de "rust en stille grootheid" die uit het kunstwerk spreekt. In het kunstwerk, zo drukt Schelling deze harmonie ook uit, wordt het oneindige op een eindige wijze uitgebeeld. Een andere naam voor deze eindige uitbeelding van het oneindige is schoonheid. Met deze bepaling van schoonheid breekt Schelling op radicale wijze met Kants opvatting, dat het schone slechts in het oordeel en het gevoel (de lust die voortspruit uit de harmonie van de verbeeldingskracht en het verstand in het esthetisch oordeel) van de toeschouwer is gelegen.

Dat Schelling onder harmonie geen volstrekt spanningsloze toestand verstaat blijkt uit het feit dat hij in zijn handexemplaar toevoegt, dat het schone en het sublieme niet tegengesteld zijn. Hij neemt ook hier afstand van Kants in de Kritik der Urteilskraft verdedigde stelling dat het schone en het sublieme tegenover elkaar worden geplaatst als het harmonieuze en het conflictueuze. Schellings verbinding van het harmonieuze en het conflictueuze herinnert aan Herakleitos' uitspraken over de tegenstrevige harmonie.

Op grond van de zojuist gegeven karakterisering kunnen we het kunstwerk onderscheiden van organische natuurprodukten en van andere produkten van de menselijke arbeid. Van het organische natuurprodukt onderscheidt het kunstwerk zich daardoor, dat het opnieuw verenigt, wat in het natuurprodukt voor de scheiding tussen het bewuste en onbewuste nog ongedeeld aanwezig was. Waar in het bewustzijn natuur en geest gescheiden worden, daar herstelt het kunstwerk deze oorspronkelijke identiteit, maar nu op een hoger niveau, dat het bewustzijn overstijgt. Omdat de voortbrenging van het natuurprodukt niet van het bewustzijn uitgaat, dus evenmin van de te verzoenen oneindige tegenstelling tussen natuur en geest, is de natuur volgens Schelling niet noodzakelijk mooi. Voor zoverre de natuur als schoon wordt ervaren komt dit, omdat we haar vanuit het perspectief van de kunst waarnemen. De kunst is "principe en norm voor de beoordeling van de natuurschoonheid" . Schelling brengt daarmee tot uidrukking dat we ons bij de esthetische beoordeling van de natuur altijd laten leiden door de kunst. De kunst is als het ware het medium, waardoor de natuur zich eerst als zus of zo zijnde aan ons kan voordoen. In de in 1807 uitgesproken rede Über das Verhältnis der bildenden Künste zu der Natur stelt Schelling zelfs onomwonden dat de kunst om die reden de werkelijkheid overtreft. Schelling verzet zich hierbij expliciet tegen de traditionele, ook nog door Kant aangehangen opvatting, dat de kunst de natuur nabootst, of - vanuit de natuur geredeneerd - dat de natuur de kunst haar regels verschaft.

Van het ambachtelijke en industrile produkt (het "gemeine Kunstprodukt") onderscheidt het kunstwerk zich, zo stelt Schelling wel weer in overeenstemming met Kants Kritik der Urteilskraft, doordat het zijn doel geheel in zichzelf heeft. De "heiligheid en zuiverheid" van de kunst ligt er voor Schelling juist in dat ze geen uitwendige doeleinden dient. Het kunstwerk staat daarom niet alleen ver af van het louter aangename en het economisch nuttige - aan de kunst vragen economisch nuttig te zijn, merkt Schelling meesmuilend op, kan alleen een tijdvak doen dat in de uitvinding van een nieuw soort voederbiet de hoogste uitdrukking van de menselijke geest ziet -, maar de kunst is op dit punt ook onvergelijkbaar met de moraal en de wetenschap. Zelfs de filosofie is volgens Schelling uiteindelijk slechts middel ten behoeve van het hoogste: de kunst. Op dit punt loopt Schelling krachtig vooruit op de autonomie van het kunstwerk, die sinds de l'art pour l'art beweging de praktijk en de theorie van de kunst op doorslaggevende wijze bepaalt.

In het bijzondere deel van de colleges Philosophie der Kunst, die Schelling in 1802/3 en 1804/5 verzorgde in Jena en Würzburg, en waarvan de omvangrijke tekst eerst na zijn dood is gepubliceerd, breidt Schelling de ontologie van het kunstwerk uit met een uitgebreide systematiek van de verschillende kunstvormen. Analoog aan het onderscheid tussen realiteit en idealiteit onderscheidt Schelling daarbij de beeldende kunsten en de taalkunsten, waarbinnen aan de hand van hetzelfde criterium verdere onderscheidingen worden aangebracht. Met betrekking tot de beeldende kunsten onderscheidt Schelling aan de reële zijde de muziek en aan de ideële zijde de schilderkunst. De beeldhouwkunst vormt de synthese van het reële en het ideële in de beeldende kunsten. Met betrekking tot de taalkunsten onderscheidt hij de lyriek, door hem opgevat als de representatie van het oneindige in het eindige ofwel het bijzondere, van de epiek, de representatie van het eindige in het oneindige ofwel het algemene. De dramatiek belichaamt als de eenheid van het bijzondere en het algemene de synthese van het reële en het ideële in de taalkunsten. Deze systematiek fungeert bij Schelling tevens als een rangorde, die loopt van de muziek als de meest reële en daarom laagste kunst, tot aan het drama, de hoogste ideële synthese die binnen het domein van de kunst bereikbaar is.

Hoewel de analyses van de afzonderlijke kunstvormen veel interessante details te zien geven, lijdt Schellings uiteenzetting in het geheel genomen onder de systeemdwang. Bovendien verraadt de rangorde hoe Schelling verbonden blijft met de platoonse traditie; ook bij Plato is de muziek de laagste der kunstvormen. In de latere romantiek, heel pregnant bij Schopenhauer en Nietzsche, zal de muziek juist tot de hoogste kunstvorm worden verheven en daarmee tot voorbeeld van de literatuur. Schellings verwantschap met de latere romantiek, en op opvallende wijze ook met de esthetica die Freud zal ontwikkelen, dient eerder gezocht te worden in zijn opvatting van het artistieke scheppingsproces.

De artistieke produktie dient volgens Schelling begrepen te worden vanuit de spanning tussen de bewuste en de onbewuste voortbrenging. Onder de bewuste voortbrenging verstaat Schelling het aspect van het scheppende werk dat met bewustzijn, overleg en reflectie geschiedt, datgene wat door de traditie wordt aangereikt en kan worden aangeleerd. Schelling gebruikt hier het woord 'Kunst' in engere zin, we zouden tegenwoordig eerder spreken van artistieke techniek. Onder de onbewuste voortbrenging, die Schelling ook aanduidt met de term 'Poesie', verstaat hij het niet-subjectieve moment in artistieke produktie, dat de kunstenaar door een "vrije gunst van de natuur" aangeboren is. Hiermee brengt Schelling een antieke gedachte, die bijvoorbeeld door Plato in de dialoog Ion (534B) wordt verwoord, opnieuw in het spel, de gedachte namelijk dat de kunstenaar bevangen is door een 'mania' of een 'enthousiasmos', die hem als het ware overweldigt. Waar Plato deze manie, waarin de kunstenaar door een god bezeten buiten zinnen raakt en zijn geest verliest, bijzonder negatief beoordeelt, daar is zij volgens Schelling onontbeerlijk om het Absolute in het kunstwerk te kunnen belichamen.

Nu lijken kunst en poëzie, d.w.z. bewuste techniek en onbewuste inspiratie, volgens Schelling bij aanvang van het scheppingsproces onverenigbaar. Dat kan ertoe leiden dat de kunstenaar ertoe verleid wordt slechts één van beide activiteiten uit te oefenen. Dat is volgens Schelling zonder meer rampzalig. In het geval van technische beheersing zonder potische inspiratie levert het slechts oppervlakkkige en weinig originele kunstwerken op. In het geval er sprake is van enthousiasme zonder techniek, dat wil zeggen van een volkomen blinde scheppingsdaad, dan zijn 'dode produkten' het resultaat, waartoe onze esthetische aanschouwing en oordeel geen toegang vinden.

In de geslaagde schepping vallen beide aspecten echter op onverwachte wijze samen. Deze identiteit van het bewuste en het onbewuste duidt Schelling nu aan met "het duistere begrip van het genie". In het geniale kunstwerk wordt, zo kunnen we in aansluiting bij wat ik eerder opmerkte stellen, de tegenspraak tussen het bewuste en het onbewuste, subjectieve vrijheid en de esthetische noodzakelijkheid, idealiteit en realiteit verzoend in hun absolute identiteit. Deze verzoening, het zij nogmaals gezegd, vindt niet plaats in het bewustzijn van de kunstenaar, maar wordt slechts belichaamd in het geniale kunstwerk zelf. Voor de kunstenaar komt de absolute Identiteit van het kunstwerk na de scheppingsdaad over als "een donker onbekend geweld". Het genie, zo verheldert Schelling, is voor de kunstenaar wat het noodlot voor de handelende mens is.

In de lezing Über das Verhältnis der bildenden Künste zu der Natur uit 1807 komt Schelling nogmaals te spreken over de navolging van de natuur (ars imitatur naturam), maar nu vanuit het perspectief van de scheppende kunstenaar. Ditmaal verzet hij zich niet tegen het gebruik van deze term, maar dat komt omdat hij hem op een fundamenteel andere wijze interpreteert dan de traditie. Wanneer Schelling nu stelt dat de kunstenaar de natuur moet navolgen, dan wordt met dit esthetische imperatief nadrukkelijk niet bedoeld dat de kunstenaar de empirische werkelijkheid dient te imiteren (wat slechts een inferieure kopie zou opleveren, het verwijt dat de kunstenaar sinds Plato steeds opnieuw is toegevoegd), maar dat hij moet scheppen zoals de natuur dat doet. Hierbij grijpt Schelling terug op het gedachtengoed van Thomas van Aquino, die zich op dit punt reeds afzette tegen de klassieke opvatting van het ars imitatur naturam. Anders dan bij Thomas is voor Schelling de scheppende kunstenaar echter superieur aan de natuur, omdat hij in tegenstelling tot de natuur met bewustzijn schept. Door de kunst te bevrijden van de ontologische bepaling een vorm van nabootsing van de empirische werkelijkheid te zijn maakt Schelling op reflexief niveau de weg vrij voor de abstracte, niet figuratieve abstracte kunst. Het is opvallend dat veel 20ste eeuwse kunstenaars - Kandinsky is hiervan een voorbeeld - een vergelijkbare opvatting huldigen en stellen dat hun kunst niet de 'huid' van de natuur afbeeldt, maar een hogere, bovenzinnelijke wereld uitbeeldt. Kandinsky concludeert daar net als Schelling uit dat de kunst boven de natuur staat.

Ter afsluiting staan we nog een moment stil bij Schelling analyse van de receptie van het kunstwerk. We kunnen hier kort zijn, omdat de receptie - die in Kants Kritik der Urteilskraft centraal stond - door Schelling slechts terloops wordt aangestipt. Toch doet ook wat hij over de receptie zegt opmerkelijk modern aan. Zoals hierboven werd opgemerkt, is het kunstwerk volgens Schelling een eindige uitbeelding van het oneindige. Dat impliceert volgens hem dat een kunstwerk niet éénduidig kan worden uitgelegd, maar in de tijd tot een oneindig aantal interpretaties aanleiding geeft. Met deze gedachte, die in scherpe tegenstelling staat tot Kants opvatting dat het esthetisch oordeel een tijdloze geldigheid bezit, loopt Schelling vooruit op Gadamers analyse van het tijdskarakter van de ervaring van de kunst.

 

 

LITERATUUR

Beierwaltes, W., "Einleitung", in: F.W.J. Schelling, Texte zur Philosophie der Kunst. Stuttgart 1982.
Jähnig, D., Schelling. Die Kunst in der Philosophie. 2. Band: Die Wahrheitsfunktion der Kunst, Pfullingen 1969.
Kirchhoff, J., Schelling, Reinbek bei Hamburg 1982.
Schelling, F.W.J. Texte zur Philosophie der Kunst (Hrsg. W. Beierwaltes). Stuttgart 1982.
Schneeberger, G., F.W.J. von Schelling. Eine Biographie. Bern 1954.
Zeltner, H., Schelling-Forschung seit 1954. Darmstadt 1975.

 

 

 



Het CFK onderhoudt samenwerkingsverbanden met:
 
Philosophy of Information and Communication Technology International Association for Philosophy and Literature Witte de With Centrum Beeldende Kunst V2_ International Association for Aesthetics Maai Aan/Uitgevers


 
CFK
 under deconstruction
page-top