H.A.F. Oosterling & A.W. Prins (red.)
INHOUD:
- Voorwoord
- Plato over
kunstenaars en kunstwerken Kanttekeningen bij de grote
waterscheiding Awee Prins
- Aristoteles en de emancipatie van de kunst Jeroen
van Rijen
- Schoonheid en waarheid. Het esthetisch essentialisme van
Thomas van Aquino Henri Krop
- Kant, Transcendentaal filosoferen over het kunstwerk Frans
de Jong
- Hegels esthetica.
De lust van het raadsel Heinz Kimmerle
- Kunst als organon.
De romantische esthetica van Schelling Jos de
Mul
- Arthur Schopenhauers mystieke esthetica. Kunstfilosofie als
bevrijdingsleer Douwe Tiemersma
- Balanceren tussen
filosofie en kunst. Nietzsches fysiologie van de esthetiek Henk
Oosterling
Voorwoord
In deze bundel worden acht inleidingen in de esthetica gepresenteerd.
De teksten werden uitgesproken in 1990 en 1991 in Zaal de Unie en de Erasmus
Universiteit te Rotterdam. De lezingen gingen gepaard met presentaties,
waarbij van verschillende artistieke media gebruik werd gemaakt. Deze
konden echter om praktische redenen niet in deze bundel worden weergegeven.
Hoewel de esthetica als filosofische discipline eerst aan het eind van
de achttiende eeuw wordt geïntroduceerd door Baumgarten zijn theorieën
over kunstwerken, de kunstzinnige schepping en de ervaring van kunst een
integraal deel van het Westerse gedachtengoed. Vragen als "Wat is schoonheid?",
"Wat is de verhouding tussen schoonheid en waarheid", "Wat is inspiratie?",
"Wat is het specifieke gehalte van de esthetische ervaring?" en "Wat is
de plaats van de kunst in het leven van een individu en haar rol in de
samenleving?" zijn van meet af aan door Westerse filosofen gesteld.
De in deze bundel bijeengebrachte inleidingen beogen eerder een impressie
dan een volledig overzicht te geven. Weliswaar worden filosofen besproken
die in elke inleiding in de geschiedenis van de esthetica worden aangetroffen,
toch ontbreken er belangrijke schakels. Wel zijn deze in het werk van
de besproken denkers voorondersteld. Zo refereert bijvoorbeeld Kant regelmatig
aan Burke, steunt Schellings werk op Schillers gedachtengoed en analyseert
Hegel zelfs de hele geschiedenis van het denken over de kunst.
In de eerste bijdrage Plato over kunstenaars en kunstwerken
Kanttekeningen bij de
grote waterscheiding plaatst Awee Prins kanttekeningen
bij het traditionele beeld van Plato als de filosoof die de kunst
onder curatele van het denken heeft gesteld. Jeroen van Rijen
belicht vervolgens het louterende en emancipatorische aspect van
de kunst in het denken van Aristoteles, waarbij hij positieve
aandacht schenkt aan de in de 19e eeuw opgekomen therapeutische
duiding van het katharsis-begrip. In de filosofie van Thomas van
Aquino speelt de esthetica als aparte discipline weliswaar geen
rol, toch meent Henri Krop dat er, door de onlosmakelijke band
tussen waarheid en schoonheid voor de bepaling van het goddelijke,
in Aquino's religieuze filosofie wel degelijk voor onze tijd relevante
esthetische aspecten aanwezig zijn. In de bijdrage van Frans de
Jong wordt Kants specifieke argumentatie-respons op het waarderen
van de kunst samengevat. Heinz Kimmerle presenteert een lezing
van het werk van Hegel, Hegels esthetica De
lust van het raadsel, waarin de onderschikking
van kunst aan religie en filosofie wordt aangevochten. In de bijdrage
Kunst als organon de
romantische esthetica van Schelling betoogt Jos
de Mul dat Schelling de eerste moderne filosoof is, die de kunst
nadrukkelijk boven de filosofie plaats als haar ware Organon.
Tenslotte toont Henk Oosterling in Balanceren tussen filosofie
en kunst Nietzsches
fysiologie van de esthetiek hoe Nietzsche vanuit zijn
vroege esthetische theorie, waarin hij nog over de kunst spreekt,
geleidelijkaan zijn eigen denken, dat in de afgrondelijke gedachte
van de eeuwige terugkeer culmineert, esthetiseert.
Deze bundel is de eerste van twee, gewijd aan de verhouding tussen filosofie
en kunst. In geen van beide gevallen betreft het een gelegenheidsexercitie.
De toenemende belangstelling voor de rol van de kunst in de samenleving
blijkt niet alleen uit lange rijen bezoekers voor de poorten van de kunstkathedralen,
de exorbitant hoge prijzen voor kunstwerken en de explosieve toename van
kunstprogramma op tv, ook de integratie van designartikelen in ons dagelijks
bestaan duidt op een esthetiserende tendens in de huidige Westerse cultuur.
Behalve dat filosofen deze tendenzen proberen te verhelderen, zijn zij
zich er in toenemende mate van bewust geworden dat het gesprek met de
kunst het statuut van de filosofie zelf in het hart treft. Dat dit verband
houdt met de crisis waarin de filosofie hedentendage verkeert, ligt voor
de hand. Niet langer geldt de filosofie als dé legitimatie van
het wetenschappelijk vertoog. De gevoeligheid voor de vorm van het filosofisch
vertoog, die voortgekomen is uit de prangende vraag naar de legitimatie,
heeft de aandacht van hedendaagse filosofen gevestigd op de esthetische
kwaliteiten ervan. De rigide scheiding van inhoud en vorm is teniet gedaan,
waardoor het stijlbegrip, waarin vorm en inhoud samenkomen, een steeds
vooraanstaander plaats in het filosoferen heeft ingenomen.
Maar de belangstelling komt niet alleen van de zijde van de filosofie.
Ook de niet te onderschatten rol van het filosofisch gedachtengoed binnen
de avant-garde kunst bevestigt de noodzaak van uitwisseling. Dit draagt
er mede toe bij, dat de overheersende rol van de filosofie plaats maakt
voor een meer terughoudender opstelling: de filosofie spreekt niet meer
over de kunst, maar eerder tot, en met de kunst. In deze eerste bundel
overheerst echter nog het traditionele spreken 'over' kunst. De auteurs
hebben getracht de traditionele theorieën weer te geven. Toch valt
hier en daar al een zekere ondermijning van dit spreken 'over' de kunst
te bespeuren.
Henk Oosterling, Awee Prins
oktober 1992