WORKSHOP 2 Postmoderne denkers: van Foucault tot Baudrillard.
april, mei, en juni 1999.
i.s.m. Centrum Beeldende Kunst Rotterdam en Studium Generale Erasmus
Universiteit
De workshop bestaat uit een zevental lezingen over postmoderne filosofie,
waarbij de relatie tussen kunst en filosofie centraal staat.
Hieronder enkele korte introducties over de verschillende lezingen.
| 15 april |
Inleiding door Antoon van den Braembussche
|
| 22 april |
Michel Foucault door Henk Oosterling |
| 29 april |
Gilles Deleuze/Felix Guattari door Arnaud
Zwakhals |
| 6 mei |
Jean Baudrillard door Richard de Brabander
|
| 20 mei |
Jacques Derrida door Sybrandt van Keulen
|
| 27 mei |
Jean-Francois Lyotard door Piet Molendijk
|
| 3 juni |
Uitleiding door Antoon van den Braembussche
|
15 april 1999
Antoon van den Braembussche
Inleiding
Waarin de continuïteit met de eerdere serie lezingen (zie workshop1)
zal worden aangegeven. Er wordt tevens kort aandacht besteed aan de
vijf denkers die in deze cyclus aan de orde worden gesteld: Michel Foucault
(1926-1984), Gilles Deleuze (1925-1995), Jean Baudrillard (1929), Jacques
Derrida (1930) en Jean-François Lyotard (1924-1998).
22 april 1999
Henk Oosterling
Het leven als kunstgreep. Foucaults bestaansesthetica
In het werk van de Franse filosoof Michel Foucault zijn drie duidelijke
periodes aan te wijzen. In de jaren zestig ontwikkelt hij een radicale
kritiek op het westerse subjectbegrip. Hij toont in "De geschiedenis
van de waanzin" (1963) en "De woorden en de dingen" (1966) hoe in vertogen
kennis over de mens wordt geproduceerd en kritiseert de steriliteit
van het humanisme, dat universalisme als uitgangspunt neemt en niet
de verschillen tussen mensen. Zijn werk krijgt in de jaren zeventig
een politieke dimensie: het conventionele - liberale en marxistische
- machtbegrip wordt in "Discipline, Toezicht en Straf" (1975) onder
vuur genomen en lichamelijkheid wordt een filosofisch thema. Foucault
schrijft zijn visie op de geschiedenis van de sexualiteit in "De wil
tot weten" (1976).
In de jaren tachtig worden subjectkritiek en machtsanalyse op een ervaringsniveau
herdacht: wat betekent het voor de ethische opstelling van individuen
en hoe werken reflectie en creatie daarin door? Foucault ontwikkelt
vanuit een analyse van Griekse en Romeinse 'zelfpraktijken' in "Het
gebruik van de lusten en De zorg voor zichzelf" (1984) de gedachte van
een bestaansesthetica: een levensstijl waarin het kunst-matige gehalte
van iedere definitieve zingeving wordt erkend en ethiek en esthetiek
elkaar wederzijds bevruchten.
Vanaf het begin van zijn intellectuele carriére heeft Foucault
echter belangstelling gehad voor kunstwerken en kunstpraktijken. Zijn
het aanvankelijk Goya, Velasquez en 19e eeuwse literatoren die in zijn
analyses opduiken, al snel wendt hij zich tot het surrealisme en komt
Magritte in beeld. Daarnaast toont hij een affiniteit met het werk van
Artaud en schrijft hij met name over Hölderlin en Flaubert. Over
hedendaagse kunstpraktijken heeft hij zich niet systematisch uitgelaten.
Tegen deze achtergrond zal Foucaults filosofische arbeid zo worden herijkt
dat de toenemende verstrengeling van filosofie en kunst in zijn geschriften
begrepen kan worden als een ontwikkeling die eigen is aan een vorm van
filosoferen waarin verschillen het centrale oriëntatiepunt vormen.
29 april 1999
Arnaud Zwakhals
Deleuzes logica van 'sensation'. Over het werk van Francis Bacon.
Via een kritiek op de kantiaanse scheiding van een esthetiek van de
zintuiglijkheid en een esthetiek als een discipline die reflecteert
over het schone ontwerpt Deleuze een nieuwe receptie-esthetica: zintuiglijkheid
en het transcendentale, deze twee aspecten blijken ondeelbaar en onscheidbaar.
Er is niet uitsluitend een receptief subject dat de zintuiglijke input
actief synthetiseert tot een ondeelbare ervaring en evenmin daartegenover
ditzelfde subject dat kan oordelen over de schoonheid van die ervaring.
Het gaat Deleuze om een aisthesis voor reflectie, bewustzijn
en representatie. Deleuze thematiseert deze problematiek op verschillende
manieren en plaatsen in zijn werk: naast een filosofische exploratie
zoals in "Différence et répétition" (1968) ook
in "Logique de la sensation" (1981) schrijft hij tevens een uitgebreide
beschouwing over het werk van de schilder Francis Bacon.
Dit laatste werk zal hier in hoofdlijnen uiteengezet worden, waarbij
naast het probleem van de 'sensation' - een samenhang tussen affecten
en percepten - ook vragen aan de orde zullen komen over de verhouding
tussen filosofie en kunst en daarmee samenhangend Deleuzes opvatting
en methode van filosoferen.
6 mei 1999
Richard de Brabander
De verleiding van de kunst. Baudrillard over poëzie en Sophie
Calle
De onbedwingbare obsessie alles zichtbaar te maken heeft volgens Baudrillard
niet geleid tot helder inzicht in een enkelvoudige en zinvolle werkelijkheid.
Bovendien staan de dingen volgens hem volkomen onverschillig tegenover
de zin die wij hun geven. Door hun onverschilligheid verleiden zij ons
steeds opnieuw tot het geven van zin. Maar aangezien het de dingen onverschillig
laat welke betekenis zij krijgen, laten zij zich elke betekenis welgevallen
en schudden zij deze ook net zo makkelijk weer van zich af. Zo ontstaat
een oneindige vermenigvuldiging van beelden en betekenissen, een extase
van de communicatie en informatie onder het gewicht waarvan werkelijkheid
en waarheid uiteenvallen. De wereld is een grote videoclip waarin beelden
enkel nog naar zichzelf verwijzen en zonder enige samenhang of betekenis
voorbijflitsen.
De verleiding en de onverschilligheid kenmerken ook de (dicht)kunst.
De poëzie en de kunst streven hun eigen verdwijning na. De poëzie
komt in opstand tegen de wetten van de taal, de kunst wordt tot een
absolute waar die elke waarde van zich aflegt. De (dicht)kunst is een
proces van vernietiging van waarden en betekenissen waaruit niets resteert.
Ten slotte hebben poëzie en kunst geen enkele waarde en geen enkele
zin meer: zij verleiden nog slechts. Deze verleiding staat centraal
in Baudrillards essay over de fotografe Sophie Calle, het enige essay
dat hij aan een kunst heeft gewijd. Vandaar dat daar in deze lezing
iets verder op wordt ingegaan.
20 mei 1999
Sybrandt van Keulen
Van Gogh, Celan, Derrida.
Hoewel Derrida voornamelijk publiceert op het (grens)gebied van filosofie
en literatuur, heeft hij toch ook enkele teksten geschreven waarin hij
zich direct betrekt op werken van de beeldende kunst. In de traditie
van de filosofie komt het vaak voor dat niet alleen visuele kunstwerken
als voorbeelden en verbeeldingen van ideeën worden gebruikt - dikwijls
ingelijfd in een systeem. Derrida keert zich tegen deze traditie. Hij
richt zich op enkele kunstwerken, niet met als doel om ze te gebruiken
als illustraties van zijn filosofie, maar om aan te tonen dat de kracht
en de geldigheid, zelfs de absolute geldigheid van elk werk afzonderlijk
schuilt in zijn verzet tegen het denken. Om na te gaan wat nu de belangrijkste
kenmerken zijn van dit verzet, en hoe het onbegrijpelijke of ongrijpbare
toch valt af te lezen aan het kunstwerk, wil ik een aantal schilderijen
van Vincent van Gogh en een aantal gedichten van Paul Celan bespreken.
Ik maak daarbij voornamelijk gebruik van twee publicaties van Derrida,
te weten "La vérité en peinture" (1978) en "Schibboleth"
(1986).
27 mei 1999
Piet Molendijk
Sublimatie, sublieme en sensibiliteit. Esthetiek en ethiek bij Lyotard
Jean-François Lyotards werk kan zonder terughoudendheid politiek
gemotiveerd worden genoemd. Het onderhoudt bovendien een ambivalente
relatie met de (beeldende) kunst. In de jaren zestig loopt Lyotard vast
in zijn praktisch activisme op het terrein van de concrete maatschappelijke
problemen (met name de dekolonisatie van Algerije). In plaats van zijn
vroegere engagement wendt hij zich tot een libidinaal-filosofisch denken
dat ook bij Deleuze en Guattari wordt ontwikkeld. Daarin speelt de esthetische
dimensie van het denken een overheersende rol. Het is ook in deze tijd
dat hij zijn boek over Marcel Duchamp schrijft. Maar de ethische vraag
par excellence: 'Hoe kan onrecht aan de kaak worden gesteld, verminderd
of voorkomen worden?' is vanuit libidinaal economisch perspectief niet
meer te beantwoorden. De crisis waarin Lyotards filosofie dan geraakt,
mondt uit in zijn latere kritiek op de Grote Verhalen. In een ervaren
impasse blijkt voor Lyotard het werk van Immanuel Kant - met name diens
esthetiek - een nieuw perspectief te bieden. In de worsteling van de
avant-garde in de beeldende kunst, met name in de problematiek van het
sublieme, herkent Lyotard een dubbelzinnige positie die de ethiek oproept:
de noodzaak en de onmogelijkheid om haar te funderen. In de ervaring
van het sublieme en het daarmee verbonden reflexieve oordeel (het oordeel
dat zich niet richt naar een van tevoren gegeven regel, maar dat op
zoek is naar zijn eigen regel) naderen denken en kunst elkaar. Het verschil
ertussen verdwijnt echter niet.
In een speurtocht naar een esthetica van het sublieme onderkent Lyotard
dat de sensibiliserende werking van kunstwerken een onvermoed politiek
karakter draagt. Zijn werken gewijd aan individuele kunstenaars als
Duchamp, Buren, Newman, Adami, Arakawa en Appel getuigen hiervan.